dinsdag 18 november 2014

GRACHTENPANDENGEVELS VAN AMSTERDAM. (DEEL 1)

WEERSPIEGELING VAN EEN RIJK VERLEDEN.

Het zijn niet alleen de grachten van Amsterdam die jaarlijks duizenden toeristen naar de hoofdstad van ons land doen trekken, maar ook de panden met hun fraaie en afwisselende gevels welke langs deze grachten staan.
Panden die het rijke koopmansleven en de handel overzee met verre landen weerspiegelen in het water van de grachten.
Om deze fraaie panden echt goed te kunnen bekijken, moet je dit in de winter doen of het vroege voorjaar als ze niet meer schuil gaan achter het groen van de bladeren van de bomen welke langs de grachten staan.
Tegenwoordig zijn deze panden kantoren van bedrijven of zijn de etages ervan opgedeeld in woonappartementen.


EEN STUKJE HISTORIE.



Reeds in 1275 werd er gesproken in een ambtelijk geschrift over de Amsterdam. In die tijd bestond de bewoning uit een wat huizen aan de oostelijke zijde van de rivier de Amstel. Het is dus het oudste gedeelte van de stad en was gelegen bij de huidige Warmoesstraat, de Oudezijds Voorburgwal en de Oudezijds Achterburgwal.
Het uitbreiden van de stad ging altijd gepaard met het graven van grachten welke tot in de 17e eeuw een belangrijke verdedigende functie hadden. Tot in de 19e eeuw werden de grachten gebruikt voor het transport van goederen.
Al snel volgden er uitbreidingen en in 1300 werden de Nieuwezijds Voorburgwal , het Spui, Grimburgwal gegraven. Zo groeide de stad uit in oostelijke en westelijke richting.
De belangrijkste uitbreiding begon in 1613 en deze zou de stad vier keer zo groot maken. In een concentrische vorm rond het hart van de stad werden drie grachten gegraven, vanuit de Brouwergracht tot aan de Leidsegracht: de Herengracht, Keizersgracht en de Prinsengracht. De Keizersgracht werd met haar breedte van 28 de grootste gracht en de andere twee grachten kregen een breedte van 25 meter.
De stad werd afgesloten door de Singelgracht en 26 bastions, waarop molens gebouwd werden. Dit aanzicht zou de stad 200 jaar blijven houden.
Helaas is het merendeel van de huizen die toen langs de grachten werden gebouwd verdwenen en zodoende is het aantal nog bestaande huizen uit de 17e eeuw beperkt. De meeste huizen dateren uit de 18e eeuw.
Zeker een derde van de nu nog bestaande panden langs de grachten dateren van voor 1850.
Dat men langs de grachten veel bomen ziet staan heeft te maken met een keur (wet) uit de 17e eeuw waarin zelfs verplicht werd om de grond achter de panden als tuinen dienst te laten doen met veel groen voorziening.

AMSTERDAMSE GRACHTEN PANDEN. 

De bouw van de panden heeft door de eeuwen heen ook voor veel veranderingen gezorgd. De eerste panden waren hoofdzakelijk opgetrokken uit hout en hadden een puntgevel (1200 - 1550). In de jaren 1421 en 1452 gingen veel van deze panden verloren door stadsbranden. Hierna werden er hoofdzakelijk bakstenen panden opgetrokken. Ook het aan zien van de gevels veranderde met de jaren. Gevels met rolornamenten kende men in de periode van 1570 tot 1600. Na 1600 tot 1665 raakte de Trapgevels in zwang, van 1620 tot 1720 verschenen er veelal Tuitgevels en in die zelfde periode van 1640 tot 1670 de verhoogde Halsgevels. Van 1640 tot 1779 werden er weer gewone Halsgevels gebouwd en in de periode van 1660 tot 1790 de Klokgevels. In de 17e tot de 19e eeuw verschenen de gevels met verhoogde Kroonlijsten en Lijstgevels.




We onderscheiden in de panden van vroeger de koopmanshuizen en de herenhuizen.
Het verschil tussen deze panden is± dat bij het koopmanshuis de bovenste verdiepingen voor opslag van de handelsgoederen dienden en bij het herenhuis dit geheel voor bewoning ingericht was.
Koopmanshuizen bevatten pakzolders en /kelders en de goederen werden over het water af/ en aangevoerd.
Zodoende staan de koopmanshuizen aan de grachten en heeft deze handel het aangezicht van de binnenstad van Amsterdam bepaald.
Verder kende men ook nog de winkelhuizen met een houten onderpui en een ingang op straat niveau. Deze panden stonden hoofdzakelijk in de smalle straatjes en stegen die de grachten kades met elkaar verbonden.
Boven een winkel waren dan één of meerdere verdiepingen voor bewoning.
Winkelpanden waren aan de grachten zelf niet toegestaan, met uitzondering van net op een hoek, daar ze met het uitstallen van hun koopwaar de doorgang van het vrachtverkeer hinderden.




Opvallend aan de meeste grachtenhuizen is dat ze smal en hoog zijn. Ze hebben allemaal een lang gerekte grondoppervlakte. Het dak staat loodrecht op de gevel, waarvan de top vaak rijk geornamenteerd is.
De voorgevels staan allemaal iets voorover en hebben in de geveltop een hijsbalk. Het voorover staan van de gevel werd reeds bij de bouw gedaan om te voorkomen dat de vracht welke naar boven werd gehesen de gevel zou raken en beschadigen. Al deze panden zijn op houten palen gebouwd welke diep in de drassige ondergrond zijn geslagen.




Wat verder opvalt is het geringe hoogte verschil in de panden en dat veel panden een trap hebben naar de hoger gelegen ingang van het pand. Onder deze trap ligt dan de ingang naar het kelder gedeelte van het pand.



Ook opvallend is bij sommige panden het buiten de rooilijn gelegen 'pothuis' naast het pand. Het pothuis is een uitbouw van de keuken vaak bij een hoekhuis. In vroegere tijden werden er ook de potten met ingezouten voedingswaar opgeslagen. Later werd deze ruimte vaak gebruikt door handwerklieden die er hun ambacht uitoefenden.

Verscholen achter de gevels van de grachtenpanden liggen vaak fraai aangelegde tuinen met waterpartijen en tuinhuisjes.

( zie vervolg deel 2; De gevels van de grachtenpanden van Amsterdam.)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten