zaterdag 9 november 2013

WASA HET OORLOGSSCHIP. (DEEL - 2)


STABILITEIT VAN HET SCHIP.

Het ballastruim van de 'Vasa' bevatte 120 ton ballast aan dicht op elkaar gestapelde stenen waar mee men er vanuit ging dat dit voldoende was het schip recht te houden bij een zijdelingse windvlaag of het aan het rollen gaan van de kanonnen.

Ook over het plaatsen van het geschut was gedurende de bouw van het schip steeds een twist punt. Het was in die tijd van de bouw van deze oorlogsschepen gebruikelijk, dat het zwaarste geschut op het onderste geschutdek werd geplaatst om zo een betere stabiliteit te verkrijgen.
De uitrusting van het geschutdek werd steeds veranderd en werd het een twistpunt of het schip uit te rusten op het onderste dek met 24-ponders en op het bovenste dek met 12-ponders. Het aantal ponder geeft het gewicht aan van de kogel die door het geschut kon worden afgeschoten; 24 ponder kogel heeft een gewicht van 11 kilogram.
Na een hevige discussie besloot de admiraliteit het schip geheel met 24-ponders uit te rusten. Dit had ook weer invloed op de gehele stabiliteit.
Achteraf zou blijken, dat ook de hoge opbouw van het achterkasteel, vanwaar men de vijand met handvuurwapens kon beschieten veel te hoog en te zwaar was uitgevoerd.

Een maand voordat het schip in de vaart zou komen teste men de stabiliteit in het bijzijn van admiraal Klas Fleming.
Dit soort van stabiliteit test werd gedaan door een groep van 30 personen van het ene scheepsboord naar het andere te laten oversteken en dan zo snel mogelijk weer terug te lopen. Zo trachtte men te constateren hoeveel tijd het schip nodig had om weer recht te komen te liggen. Het schip helde zo zwaar over en kwam zo langzaam weer terug in haar oude positie dat men verdere testen stopten uit angst dat het zou kapseizen.
De Zweedse koning die op dat moment oorlog voerde in Polen bleef aandringen het schip zo snel mogelijk in de vaart te brengen.

SCHIPBREUK IN DE THUISHAVEN.

Op 10 augustus 1628 werd de 'Vasa' in de vaart genomen. Het schip koerste van het Driekronenpaleis in Stockholm naar de monding van de haven onder het commando van kapitein Söfring Hansson.
Een onverwacht zware windvlaag deed haar in de monding van de haven slagzij maken`.


Terwijl het schip zich hier langzaam van herstelde werd het wederom getroffen door een windvlaag, waardoor het zo zwaar overhelde dat het buitenboordwater via de onderste geschutpoorten het schip binnenstroomde. Na slechts 1300 meter gevaren te hebben zonk het schip door het snel instromende water.
Het rede dat deze poorten open stonden was het brengen van saluut schoten bij het uitvaren van de haven.
Ter hoogte van het eiland Djurgarden zonk het schip in 30 meter diep water.
Wonder boven wonder verdronken er maar ruim 40 opvarenden. De overige bemanningsleden wisten zwemmend de wal te bereiken of waren in de masten van het schip geklommen die nog boven water uitstaken.
Dat er maar zo weinig opvarenden verdronken kwam ook door het feit dat het schip eerst naar de marinehaven Älvsnabben zou varen alwaar de laatste driehonderd manschappen en hun 25 ton aan uitrusting en 70 ton aan proviand voor een maand op zee aan boord zou komen.

Dit was het einde van een nieuw schip met 71 ton aan bronzen kanonnen aan boord, dat verging voor het oog van duizenden belangstellenden in haar eigen thuishaven. Het was een van de grootste marine schepen uit haar periode.

GEDEELTELIJKE BERGING.

Daar de masten nog boven water uitstaken werden deze als eerste afgezaagd en werden de ra's geborgen.
In de 1660 werd door middel van een duikerklok ook 61 van de 64 kanonnen naar boven gehaald.
Dit werd gedaan door de Zweed Albrecht von Treileben.

Dit was een zeer risico volle onderneming. Deze klok had de vorm van een enorme kerkklok en de duiker stond op een smal platform onder de klok. Na het laten zinken van dit apparaat had de duiker 20 tot 30 
minuten de tijd alvorens hij weer naar boven zou moeten wegens lucht gebrek.
Von Treileben werkte aan dit project tot 1664 en verkocht het jaar daarop 53 van de kanonnen aan Duitsland.
Zo werd het schip langzaam bedekt met aan laag slib en daar het water van de Baltische Zee bijna geen zout bevatte werd het daardoor goed geconserveerd. Het zou drie eeuwen duren eer het schip weer boven water zou komen door berging in de jaren vijftig van de 20e eeuw.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen