donderdag 28 april 2011

DELFSHAVEN. (slot)

Zo wandelend door het oude Delfshaven zie je steeds weer andere dingen zoals; gevelstenen op oude geveltjes, oude schepen aan de kade zich weerspiegelend in het water.












Zo besloot ik vanaf het Piet Heynsplein via de Schiedamdeweg naar de straat te wandelen waar ik als kind veel kwam bij mijn grootouders, de Korfmakersstraat.

Ook aan het begin van de Schiedamseweg, hoek Mathenesserdijk staan nog fraaie statige panden met sierlijke gevels.







Tijdens mijn wandeling naar de Korfmakerstraat moest ik ineens aan het lied denken van Wim Sonneveld. 'Het tuinpad van mijn vader', want ondanks dat de panden aan de Schiedamseweg er nog stonden kreeg ik meer het gevoel om in Marokko te zijn. Slechts een bloemenzaak, supermarkt en een eetcafè herkende ik van vroeger.
Ook de tramrails, van de tram naar Schiedam, waren verdwenen door de aanleg van de Metro.


Ik had de Korfmakersstraat niet meer herkend als in het begin de na-oorlogse nieuwbouw er niet meer had gestaan. Alles uit het verleden was gesloopt en had plaats gemaakt voor lagere nieuwbouw in lichte tinten, maar (mijn) kleuterschool stond er nog. Dat was wat reste heden van mijn jeugd verleden. Je was een kind en wist niet beter, dat het nooit voorbij zou gaan!














woensdag 27 april 2011

PIET PIETERSZOON HEYN uit DELFSHAVEN (7).

Wie was deze ereburger van Delfshaven? We kennen hem allemaal van het lied over de zilvervloot, wat vele van ons uit volle borst gezongen hebben op de lagere school.

Weet je het nog?


Heb je van de zilveren vloot wel gehoord
de zilveren vloot van Spanje?
Die had er veel Spaanse matten aan boord.
En appeltjes van Oranje.

Sprak toen niet Piet Hein met een aalwaerdig woord:
"Wel jongens van Oranje,
Kom, klim, reis aan dit Spaansche boord
en rol me de matten van Spanje"?

Klommen niet de jongens als katten in 't wand
En vochten ze niet als leeuwen?
Ze maakten de Spanjers duchtig te schand.
Tot in Spanje klonk hun schreeuwen!

Piet Hein!, Piet Hein!, Piet Hein zijn naam is klein,
Zijn daden bennen groot.
Zijn daden bennen groot.
Hij heeft gewonnen de zilveren vloot.
Die heeft gewonnen, gewonnen de Zilvervloot. (bis)

Kwam er nu nog eenmaal zo'n zilveren vloot.
Zeg zou jullie nog zoo kloppen?
Of zoudt gij u veilig en wel buiten schoot.
Maar stil in je hangmat stoppen?

Wel, Hollandsch bloed,
Dat bloed heeft nog wel moed!
Al bennen we niet groot,
Al bennen we niet groot.
We zouden winnen de Zilvervloot!
We zouden winnen, winnen de Zilvervloot!


We zouden winnen, winnen de Zilvervloot!

Pieter Pieterszoon Heyn werd geboren op 27 november 1677 in een klein huisje in de Kerkstraat, ook wel 'Kerkhofsteeg'en tegenwoordig Piet Heynstraat geheten in Delfshaven. Zijn ouders waren niet welgesteld en moesten iedere verdiende cent omdraaien. Vader Heyn werkte als visser op de haringvloot van Delfshaven. Met zijn karig verdiende loon moeste hij zijn vrouw en drie kinderen zien te onderhouden. Moeder Heyn wenste dat haar zoon een baan aan wqal zou zoeken, maar het zoute bloed zat in Piet zij aderen en ging met zijn vader mee naar zee.


Veel geluk had hij in het begin niet, daar hij door de Spanjaarden gevangen werd genomen dike hem vier jaar als galeislaaf lieten werken. Na zijn vrijlating koos hij opnieuw het zeegat en werkte als schipper op de koopvaardij. Wederom werd hij door de Spaanjaarden gevangen genomen.


Na de slag bij Nieuwpoort werd hij met ander gevangenen vrijgelaten. Hierna werd hij schipper voor eigen rekening en zette koers naar de Middellandse Zee.

Het was in die tijd, dat kapperij de gewoonste zaak van de wereld was. In deze legale vorm van piraterij gaven overheden tijdens de oorlogen kapersbrieven mee aan de kapiteins. Het bezit daarvan gaf recht alle schepen die onder vijandelijke vlag voeren, aan te vallen. Nadat een schip was geënterd, werd het commando overgenomen en werden de aanwezige vracht en documenten in beslag genomen. De kapers mochten een deel van de opbrengst houden.

Zo verdiende Piet Heyn een aanzienlijk vermogen, dat hij zelfs de gemeente Delft geld leende.

( Het wapen aan de gevel van zijn geboortehuis bevat een gevelsteen met het wapen van Piet = vogel, Heyn = op een heining)


In 1623 trad Piet Heyn in dienst van de WIC (West Indische Compagnie) welke intresse had in de Portugese bezittingen in Brazilië. Heyn veroverde als gezaghebber van de WIC San Salvador in Brazilië.

In 1626 werd hij als admiraal van een grote vloot naar de Caribische Zee gezonden om met de daar aanwezige scheepsmacht van Boudewijn Hendrikszoon een Spaanse zilvervloot te veroveren. Inmiddels overleed Boudewijn Hendrikszoon en Heyn kon zijn vloot niet traceren, waardoor hij niet aan zijn opdracht voldeed, Hij bleef zoeken naar deze vloot en zo haalde hij in 1627 in de Allerheiligenbaai een aanzienlijke buit binnen.

Het belangrijkste wapenfeit uit de loopbaan van deze zoon van Delfshaven is wel de verovering van de Spaanse zilvervloot in de baai van Mantanzas op 6 en 7 september 1628. De oorlogbuit die hij veroverde op generaal Benevides, bestond uit twaalf miljoen gulden, uit die tijd.

In het scheeps verslag werd vermeld: 177.00 pond zilver, 66 pond goud. 1000 parels. 35.575 huiden, suiker, parfum en 1 papagaai. (Matten was de Spaanse munteenheid.)
Voor die tijd een enorm bedrag. Er werd dan ook een speciale erepenning voor Piet Heyn geslagen.


( De Drakenkop in de geveltop verwijst enerzijds naar zijn heldendood en anderzijds naar het schip ' De Groene Draeck' waarop hij sneuvelde.)

De roem van Piet Heyn als uitstekend strateeg en tacticus snelde hem vooruit. Dat wat hem het meest seirde als leider, dat hij krachtig en rechtvaardig was en dat er van hem een groot enthousiasme uitging. Zo werd hij voor Prins Maurits en de Staten van Holland en West-Friesland de man om als buitenstaander de marine te vernieuwen. Zo werd hij in 1629 aangesteld als luitenant-admiraal van Holland en West-Friesland.


Hij was pas enkele maanden in dienst van deze funtie toen hij in de strijd tegen de Duinkerkse kapers, welke Spaanse kapersbrieven hadden, bij de 'Vlaamsche Banken' sneuvelde, welke slag wel werd gewonnen. Zo eindigde de roemrijke loopbaan, op 51 jarige leeftijd, op 20 juni 1629 van Pieter Pieterszoon Heyn.


Hij werd op 4 juli in de Oude Kerk in Delft begraven in een prachtige tombe. Zijn heldendaden zijn niet vergeten en klinken dan wel in andere woorden van veel Nederlandse voetbalstadions.








Koning Willem III onthulde op 17 oktober 1870 het standbeeld van de Delfshavense zeeheld Piet Heyn. Hij werd pas 150 jaar na zijn dood geëerd met dit standbeeld wat ruim drie meter hoog is.


Op de voorzijde van het voetstuk is het wapen van Piet Heyn afgebeeld: een kraai (piet) op een heining (heyn) die beschermd is door een helm. Daarachter kan men de lijfspreuk lezen van Heyn: 'Argentum Auro, Utrumque, Virtuti Cedit', oftewel: Goud is meer dan zilver, de deugd overtreft beide'.


Hij was tevens tot 'schepen', en wethouder, van Delfshaven benoemd.











zondag 24 april 2011

PELGRIMVADERSKERK. DELFSHAVEN (6).

De oorsprong van de kerk ligt in het jaar 1417 waarin de St.Anthonyuskapel met een afzonderlijke houte klokkenhuis wordt gebouwd. Uit deze kerek is via een aantal verbouiwingen in de loop der eeuwen de huidige Pelgrimsvaderkerk, Pilgrims Farther Church ontstaan. De huidige bakstenben kruiskerk dateert uit rond 1500. In het achthoekige houten tgorentje op de voorgevel hangt een klok die in 1464 werd gegoten. De windwijzer heeft de vorm van een haring. Hoog op de voorgevel is een vierkante zonnewijzer aangebracht.






PELGRIMVADERS.



Delfshaven geniet internationale bekendheid door de Pelgrimvaders. Deze groep afgescheiden protestanten, aanhangersa van Calvijn en Zwingli, was in 1607-1608 onder leiding van John Robinson en William Brewster uit Engeland gevlucht waar zij onder het gezag van koningin Elisabeth vervolgd werden door de Anglicaanse kerk. Zij vertrokken uit hun woonplaats Scrooby in Nottinghamshire naar Amsterdam om zich verv olgens in Leiden te vestigen. Ze konden weliswaar in vrijheid hun godsdienst uitoefenen, maar als vreemdelingen waren ze niet vrij elk beroep uit te oefenen en stonden onderaan de maatschappelijke ladder. De financiële reserves raakten op en een deel van de Engelse vluchtelingen verkeerde in arnmoedige omstandigheden. In 1620 besloot men naar Amerika te vertrekken. Dertig leden van de Leidse groep vertrokken met het schip Speedwell uit Delfshaven. Zij voegden zich in Engeland bij een andere groep en vertrokken op 16 september 1620 met de Mayflower uit Plymouth naar Noord-Amerika. De in Holland gekochte Speedwell bleek niet zeewaardig voor deze overtocht. (In een van de kerkramen is een afbeelding te zien van de Speedwell.)






Op 21 november 1620, nog aan boord van het schip, sloten zij een onderling verdrag, het "Mayflower Compact", om hun toekomstig bestuur te regelen. Het wordt wel beschouwd als de eerste democratische staats-regeling van de Amerikaanse vrijheden. De Pelgrimvaders waren in beginsel inderdaad van het idee van de rechten van de mens, maar her vedrag betrog het vestigen van een gezag van godsdienstige, en niet van zuiver democratische, aard.


De aakomst was op 22 december 1620. Met het stichten van hun kolonie Plymouth, in de huidige staat Massachusetts, legden zij als eerste kolonisten de grondslag voor New-England. Hun nederzetting was de tweede Engelse vestiging in Noord-Amerika. In het eerste jaar stierf bijna de helft van de kolonisten, en zonder de hulp van de indianen was het avontuur zeker mislukt. Onder leiding van William Bradford werd de kolonie een succes en zou model staan voor de federatieve republiek.


Veel mensen uit de Verenigde Staten van Amerika brengen een bezoek aan Delfshaven om te zien waar 'hun voorvaderen' hun reis naar het nieuwe land zijn begonnen. Achter in de kerk is een klein museum over de pelgrims.

woensdag 20 april 2011

MOLEN 'DE DISTELLEERKETEL'. DELFSHAVEN (5).

Deze molen is een stenen stellingmolen. Het was een van de vijf moutmolens die ooit in Delfshaven hebben gestaan. Het is de enige behouden en tevens de enige korenmolen van Rotterdam die daarbij nog steeds in werking is. Van de vier overige molens resten nog alleen twee molenstompen.



Mout - gekiemd en vervolgens geplet graan - dient als grondstof voor moutwijn. Hiervan wordt dan bijvoorbeeld weer jenever of brandewijn van gestookt in een ketel in een distelleerderij - daarvan is de naam van de molen afgeleid.






De Distelleerketel, gebouwd in 1727, heeft een turbulente geschiedenis achter de rug. Na meer dan anderhalve eeuw mout te hebben gemalen brandde de molen in 1899 uit, maar werd in 1902 weer opgebouwd. Tot 1922 werd er nog gemalen. Door de opkomst van de stoommachines, die de bouw van grote meelfabrieken mogelijk maakten en de import van goedkoop graan, hadden als resultaat dat het vak van korenmolenaar langzaam maar zeker uitstierf. De molens kwamen leeg te staan en raakten in verval.




Dit was ook het lot van De Distelleerketel. In 1940 werd de molen door de Luchtafweerdienst in brand geschoten, waarbij de zware molenas door de molen naar beneden stortte. Wat overbleef was een kale romp.












Hoewel De Distelleerketel niet meer was dan een kale romp, kreeg de vervallen molen toch het predikaat 'rijksmonument'. Omdat de molen de enige molen in Delfshaven was die nog voldoende ruimte had om zijn wieken te laten draaien, besloot Stichting Stadsherstel Historisch Rotterdam om hem aan te kopen. Daar intussen de gemeente Rotterdam vlakbij de molenstomp etage woningen had laten bouwen, bleek er geen ruimte over te blijven om met de wieken te kunnen draaien. Het geheel werd tot op de grond afgebroken om in 1984 elf meter verder weer geheel op te bouwen. De vlucht van de molen is nu ruim 27 meter.


(klik met de linkermuisknop op de afbeelding om deze vergroot te bekijken.)








HARING en JENEVER. DELFSHAVEN (4).

Dat de haringvangst een belangrijke bron van inkomen was voor Delfshaven blijkt al uit het stadswapen. Door kerkelijke- en politieketwisten in de gemeente vormde het voor een tiental haringvissers aanleiding om met schepen en al te verhuizen naar Rotterdam, waar ze meer dan welkom waren.
Om verder onheil te voorkomen gunde Delft Delfshaven nu meer economische vrijheden, waardoor nieuwe bedrijven konden ontstaan, zoals scheepswerven, taanderijen en kuiperijen.

Voor veel bedrijvigheid zorgde de VOC. In Delfshaven werden Specerijen uit Indië overgeladen in binnenschepen en naar Delft vervoerd. Aan de Buizenwaal, een haven aangelegd in 1602, had de VOC een scheepstimmermanswerf, waarnaast in 1672 een zeemagazijn werd gebouwd.



In de 18e en 19e eeuw dreef Delfshaven vooral op de korenwijn- en jeneverindustrie. De bekendste destilleerderij is J.H.Henkes aan de Voorhaven die in 1824 is opgericht.









Door de bloei van de drankindustrie werd het stadsbeeld van Delfshaven verrijkt met moutmolens. Alleen de uit 1727 daterende molen ' De Distelleerketel' aan de Voorhaven is na restauratie weer in oude glorie te bewonderen.







vrijdag 15 april 2011

WAPEN EN OUDE RAADHUIS. DELFSHAVEN (3).

WAPEN VAN DELFSHAVEN. Volgens een beschrijving van 22 juli 1818 "Een schild van sijnople, waarop een pal, gegolfd van sabel en zilverf, vergezeld ter regterzijde van een haring van zilver en ter linker van drie koornhalmen van goud." De halmen zijn gebonden door een lint van goud. Tot 1795 behoorde Delfshaven aan de stad Delft. De paal is afkomstig van het wapen van Delft en moet een gracht of kanaal voorstellen. Van 1795-1803 was Delfshaven een eigen gemeente gedurende de Franse tijd. Van 1803-1811 behoorde het opnieuw tot Delft en in 1811 werd het uiteindelijk een eigen gemeente, tot de samenvoeging met Rotterdam in 1886. HET OUDE RAADHUIS. Op een oude prent van de Aelbrechtskolk, uit 1667, staan van links naar rechts het Stadhuis, de St.Anthoniuskapel en het klokhuis. Het voormalige stadhuis van Delfhaven werd gebouwd in 1580. In 1721 wordt het raadhuis ingrijpend vernieuw en in 1791 werd de gevel aangepast. De fraaie gedetailleerde tuitgevel maakt daarbij plaats voor de huidige strenge classicistische architectuur. Delfshaven was omstreeks de bouw van het voormalige raadhuis geen stad maar een stadsdeel van Delft. Het was dan ook geen "stadhuis" maar een woning van de rentmeester. Het pand werd vanaf 1554 bewoond door stadsdienaren en kasteleins. " Kastelein" was een oude Nederlandse benaming voor de bewoner van een kasteel of fort. De functie van een stadskastelein was een combinatie van rentmeester, directeur van gemeentewerken en gemeentesecretaris. Pas toen Delfshaven een zelfstandige gemeente werd, rond 1800, fungeerde het pand werkelijk als stadhuis. Bij de restauratie in 1970-71 is de voorgevel ontpleisterd en kreeg het pand zijn huidige gedaante. De natuurstenen hoekblokken zijn overblijfselen van de 16e eeuwse gevel.
Het voormalige stadhuis naast de Pelgrimvaderkerk, waar vroeger de St.Antoniuskapel stond. Tegenwoordig is het stadhuis een horecagelegenheid en bierbrouwerij "Stadsbrouwerij De Pelgrim". (klik met de linkermuisknop op de afbeelding om deze vergroot te bekijken)

ZAKENDRAGERSHUISJE EN KRAANHUIS. DELFSHAVEN (2).

HET KRAANHUIS. De naam Kraanhuis, geheel rechts op de afbeelding, herinnert aan de hijskraan waarmee een sluisdeur tussen Kolk en Achterwater, die zich onder het kraanhuis bevond, kon worden opgehesen. Volgens beschrijvingen uit de 18e eeuw was de kraansluis afgesloten door een grote schuif- of schotdeur, die door middel van raderen werd opgetrokken. Dit optrekken gebeurde door twee sluisknechten, die ieder in een soort tredmolen liepen, waardoor de grote raderen van de hijskraan in beweging werd gebracht. Door het optrekken van de schuifdeur kon het water in de Kolk via het Achterwater naar de Achterhaven, waar de waterstand gelijk was aan de Maas. waarmee deze in open verbinding stond, worden afgevoerd. In de grote schotdeur waren bovendien nog vier kleinere schuiven aangebracht, die door liggende windassen werden bediend. De Aelbrechtskolk was een schutsluis. Zo konden de schepen het verschil in waterstand overbruggen. Via het Kraanhuis kon een groot verschil in de waterstand worden genivelleerd. In 1836 raakte de kraan in onbruik. Het hijsmechanisme werd verwijderd en de sluis tussen de Kolk en het Achterwater werd dichtgemetseld. Het Achterwater werd in 1850 gedempt. De plaats waar het water onder het Kraanhuis door stroomde is op de afbeelding nog te zien. ZAKKENDRAGERSHUISJE.

Rechts naast het Kraanhuis staat het Zakkendragershuisje. Hier kwamen de leden van het broederschap van het zakkendragersgilde bijeen. De klok in het toren tje werd geluid als een schip gelost moest worden. Aan het aantal slagen van de klok kon men horen om wat voor soort lading het ging. Voor graan, wat in zakken werd aangevoerd voor de pakhuizen van de branderijen, was dit bijvoorbeeld 3 slagen.



Daar er meestal meer zakkendragers zich melden dan men nodig had, werd door middel van dobbelstenen worpen uitgemaakt wie het werk kreeg.



Het Kraanhuis en het Zakkendragershuisje zij beide gebouwd op een natuurstenen overkluizing. Op de windvaan op de klokkentoren staan drie zakkendragers uitgebeeld.





donderdag 14 april 2011

DELFSHAVEN. (1)





Delfshaven is de naam van een stadswijk uit Rotterdam en sinds 1994 ook een deelgemeente. Het is een historisch, pittoresk en sfeervol stadsgedeelte gelegen rond de Aelbrechtskolk en de Voorhaven. De naam zegt het al, het was de haven van de stad Delft. In 1389 kreeg Delft toestemming van de graaf Aelbrecht van Holland om een kanaal naar de rivier de Maas aan te leggen.


Delft had deze scheepvaartverbinding hard nodig om onafhankelijk van Rotterdam te blijven. Het kanaal werd in 1389 gegraven en kreeg de naam de Delfshavense Schie. Het kanaal loopt van Overschie, het toenmalige Ouderschie, in de zuidelijke richting naar de Maas. Op de plaats waar de Delfshavense Schie de Schielandse Hoge Zeedijk doorsnijdt onstond de haven van Delft: 'Delfshaven'.





De eerste gebouwen werden langs de Kolk ( nu de Aelbrechtskolk) gebouwd en aan de Haven (nu de Voorhaven). Gebouwen als het voormalige stadhuis, de kerk, het dubbele graanpakhuis, de Moutmolen ( Distilleerketel) en de Henkes destileerderij bepalen het gezicht van Delfshaven. In 1451 werd een tweede haven gegraven, de Nieuwe Haven (nu de Achterhaven). Dit duidt op de economische groei van de haven die vooral belangrijk was voor de aanvoer van de gevangen haring. Ook vormde Delfshaven met zijn scheepswerven en magazijnen een belangrijke plek voor de Vereenigde Oost-Indische Compagnie.


Ook vertrokken vanuit Delfshaven de eerste kolonisten naar Noord-Amerika waar ze de eerste grondslag legden voor New England. De Pelgrimkerk uit 1761 aan dse Aelbrechtskolk herinnert hier nog aan.

woensdag 13 april 2011

ROTTERDAM.

Rotterdam is de grootste havenstad van Nederland. Tot voor aanleg van het Europoort gebied kwamen de schepen tot midden in de stad om hun goederen te laden of te lossen. Het is tevens een van de grootste zeehavens van de wereld. Het is de 'Poort van Europa' wat de doorvoerhandel aangaat naar o.a. Duitsland en Zwitserland.


De stad is gelegen aan de Nieuwe Maas, een van de rivieren in de delta gevormd door de samenloop van de Rijn en de Maas. De naam dateert uit de dertiende eeuw en verwijst naar een dam aangelegd in de rivier de Rotte. De stad heeft geen oude historische binnenstad, daar deze door de Duitsers is weggebombardeerd in het begin van WO-2.

WAPEN VAN ROTTERDAM.


Het wapenschild van Rotterdam wordt gedragen door twee leeuwen. In het bovenste deel van het wapen zijn vier leeuwen afgebeeld, twee rode en twee zwarte op een goudkleurig veld. De onderzijde heeft drie verticale banen, groen-wit-groen. Het groedn is van het oorspronkelijke wapen van Wena wat doorsneden wordt door de witte band, voorstellende de rivier de Rotte.


Het wapen zou Rotterdam zijn toegekend door graaf Willem III van Holland en Henegouwen als dank voor de steun van de heren van het Hof van Wena in zijn strijd tegen Vlaanderen in 1304.
De twee twee rode zijn Hollandse leeuwen en de twee zwarte zijn Henegouwse leeuwen.
In 1948 werd het devies 'Sterker door strijd' door koningin Wilhelmina aan het wapen toegekend.

DE VLAG VAN ROTTERDAM.



De vlag bestaat uit drie gelijke horizontale banen groen-wit-groen, wat ook in het wapenschild voorkomt. De kleuren groen en wit zijn al vanaf de middeleeuwen de kleuren van Rotterdam.

Rotterdam nam deze vlag officieel aan op 10 februari 1949. Het groen verwijst, net als in het wapen, naar het Hof van Wena en het wit naar de rivier Rotte.

DE EEUWIGE BOUWPUT.

Als kind kwam ik in de schoolvakanties veel in Rotterdam bij mijn grootouders die in Rotterdam-West in de Korfmakersstraat woonden. Veel heb ik er met mijn grootvader rond gewandeld en steeds was men ergens aan het slopen, bouwen, graven en aanleggen. Een stad die dacht over de aanleg van de Metro en gelijk al de eerste schop in de grond had staan. De stad leerde ik later ook kennen tijdens mijn studie en het voor die tijd zeer hoge kantoor aan het Hofplein van mijn latere werkgever. Toen ik nu bijna 13 jaar geleden met vervroegd pensioen ging was het ook mijn laaste bezoek aan deze stad.


Aanleiding om toch weer eens terug te gaan naar Rotterdam was een artikel, dat ik tegen kwam, over Delfshaven, een deel van Rotterdam-West, dat nu een historisch rijksmonument van Rotterdam is geworden. Een gebied rond de Aelbrechtskolk wat toen aardig aan het verpauperen was.



Daarbij komt dat mijn ouders op 14 juni 1944 in het kerkje aan de Aelbrechtskolk zijn getrouwd en ik er zelf op 15 juli 1945 ben gedoopt.




Met de trein, vanuit Amsterdam, naar Rotterdam gegaan en kwam je vroeger aan de uitgang Cedntrum, van het toen al zeer moderne station, naar buiten dan domineerde aan je linkerzijde het Groot-Handelsgebouw het stationsplein. Nu kijk je met verbazing op tegen glazen gevels van enorm hoge gebouwen. Mijn eerste gevoel was; ik ben verkeerd uitgestapt. Waar ben ik?

Een feit was zeker, ik stond weer in een bouwput en wel die van een nog groter en moderner station in aanbouw.




Dan kom je weer tot de ontdekking dat diverse tramlijnen zijn vervallen of omgelegd door de uitbreiding van de Metro, nu vijf lijnen, die nu helemaal doorgaat tot Den Haag Centraal.

Dus niet met de tram maar met de Metro naar station Delfshaven waar ik weer in een bouwput terecht kwam voor het verleggen van de tramrails.

Uiteindelijk bereikte ik, weg van al de drukte, het historische Delfshaven een oud sfeervol stadsgedeelte rond de Aelbrechtskolk.







In Rotterdam had de tijd niet stilgestaan.




dinsdag 12 april 2011

KERSENBLOESEM.

APRILLETJE ZOET GEEFT SOMS NOG EEN WITTE HOED.

Het is een oud gezegde, maar vandaag blijkt dat toch weer waar te zijn. Gisteren was het nog weer voor een korte broek en een poloshirtje bij de temperatuur van 24 graden in de schaduw. Vandaag is het puur afzien door de harde wind en de hagelbuiën.


De kersenbomen zitten vol met prachtige bloesem, maar of ieder bloemetje een kers voort zal brengen blijft nu nog wel even de vraag zeker nu het steeds zo hard blijft hagelen. Een sappig regenbuitje daar zaten we om te springen, want de groind was zeer droog. Al met al kon je vandaag de winterjas weer aantrekken. Maar geniet van de opnamen.






woensdag 6 april 2011

NATIONAAL INDIË- en VREDESMISSIES MONUMENT. ROERMOND.

In het park bij kasteel Hattum ligt het Nationaal Indië Monument 1945-1962 en het Monument voor de Vredesmissies voor hen die stierven in dienst voor de Vrede.


Het Nationaal Indië Monument bestaat uit verschillende onder delen. Centraal staat een obelisk met in de top een kroonduif ( het symbool van Nieuw-Guinea). Bij de obelisk is een fontein wat overloopt een soort waterval en waarop twee karbouwenkoppen zijn geplaatst die Nederlands-Indië symboliseren.

Achter de obelisk staan achttien driehoekige zuilen van aluminium, verscheidene gedenktafels met planquettes en een groot bronzen borstbeeld van generaal S.H.Spoor, de toenmalige bevelhebber van de Nederlandse strijdkrachten.

Op het monument zijn meer dan honderd planquettes geplaatst van alle krijgsmachtonderdelen van de toenmalige krijgsmacht.





De tekst op de koperen plaquette luidt: 'PALMAN QUI MERUIT FERAT'.

Vertaling van dez Latijnse tekst luidt: 'ERE WIE ERE TOEKOMT'.


De zuilengalerij bevat de namen van ruim 6.200 Nederlandse militairen die in het voormalige Nederlands-Indië of in Nieuw-Guinea zijn gesneuveld.


MONUMENT VOOR DE VREDESMISSIES.

Dit monument bestaat uit drie gedeelten: een driehoekig steiger met balustrade met daarop de plaquettes met de namen van de gesneuvelden, een wereldbol met twee figuren en een eeuwig brandende vlam en in een cirkel een aantal figuren in verschillende houdingen met een schild.





Rechts van de zuilengalerij staat een klokkencarillon.


( Helaas is het triest dat vandalen reeds eerder enige klokken uit het carillon hebben gestolen en zo ook diverse koperen plaquettes. De klokken zijn vervangen en tegen diefstal beveiligd. Al de koperen plaquettes zijn zijn nu verwijderd en tijdelijk elders opgeslagen. Ze worden alleen bij officiële herdenkingen tijdelijk op hun plaats terug geplaatst)