donderdag 23 november 2017

ZUIDERZEE; DE BOSSU ZEESLAG 1573.

          

  TOEN HET  IJSSELMEER 

           NOG ZEE WAS.





HAARLEMMERMEER.

Midden juli 1573 verslaan de Spanjaarden de geuzenvloot op het Haarlemmermeer, waarna Haarlem niet bevoorraad kan worden en moet capituleren. Maar het tij keert ten gunste van de opstandelingen tegen het Spaanse gezag.
De Spaanse troepen druipen af na een mislukt beleg van Alkmaar nadat de watergeuzen de polders onder water hebben laten lopen.
Bij Alkmaar begon de "Victorie". De watergeuzen blokkeren nu de Rijn, de Schelde, het IJ bij Amsterdam en de Zuiderzee.
Hierdoor dreigt de hertog van Alva financieel in de problemen te komen. Hij besluit tot een tegenaanval. Op 14 september 1573 beschieten Spaanse schepen schansen van de watergeuzen in Noord-Holland. Alva wil de vijand op de Zuiderzee verjagen, maar door het slechte weer moet hij zijn plan enkele weken uitstellen. De geuzen krijgen zo de kans hun verdedigingswerken, zoals bij Schellingwoude, te herstellen.

SLAG OP DE ZUIDERZEE.



(Hertog van Alva.)

Op 1 oktober lukt het de Spanjaarden (dit zijn voornamelijk Amsterdammers)  in opdracht van Alva onder leiding van Bossu, Amsterdam te verlaten en via openingen tussen de zinkschepen het IJ.  De zinkschepen hadden niet de gehele doorgang verspert.
De schepen van de watergeuzen, onder leiding van Cornelis Dirkszoon, de burgemeester van Monnickendam patrouilleren  bij Pampus en zeilen naar Marken om Bossu naar open water te lokken.
Bossu weet met zijn 18 schepen en een groot aantal transportschepen de schans bij Schellingwoude te bereiken en te bezetten.
Hierop keert hij terug naar Amsterdam.


Na zijn besprekingen in Amsterdam met de hertog van Alva vaart Bossu op  5 oktober wederom uit, nu met het doel  om zich te verenigen met een in Friesland uitgerust eskader en vervolgens de Zuiderzee van opstandelingen te zuiveren.
Bossu komst in aanraking met de Noord-Hollandse vloot onder bevel van Cornelis Dirkszoon bij het eiland Marken.
De Noord-Hollandse vloot had er voor gekozen om Bossu te treffen in open water en daarom bij de aanval op Schellingwoude niet had ingegrepen. Voor het eerst schieten beide vloten op elkaar.
De eerste gevechtsdag verliep voor Bossu betrekkelijk gunstig: één van zijn schepen werd veroverd, maar later weer hernomen.
De volgende vijf dagen wordt er nauwelijks gevochten: doordat Bossu de loef had, konden de Noord-Hollandse schepen de zijne niet naderen om te enteren, terwijl hij wel gebruik kon maken van zij artilleristisch overwicht.
Aan beide zijde vallen veel slachtoffers. De strijd is onbeslist.



De volgende dagen is de wind ongunstig om te enteren. Toen de schepen op zondag 11 oktober Hoorn voorbij waren gezeild, draaide de wind voor de geuzen in een gunstige richting, waarvan Cornelis Dirkszoon gebruik van maakte om met zijn vlaggenschip dat van Bossu, de 'Inquisitie' te enteren, welk voorbeeld door twee andere schepen werd gevolgd.
De 'Inquisitie' loopt enige tijd later vast op een zandplaat bij de Nek van Wijdenes. De watergeuzen krijgen tijdens de gevechten de overhand doordat zij vanuit nabij gelegen stad Hoorn nieuwe manschappen en munitie krijgen aangeleverd. Na hardnekkige strijd gaf Bossu zich in de namiddag van 12 oktober over op conditie van lijfsbehoud voor hem en de zijnen. Cornelis Dirkszoon raakt bij dit gevecht gewond en schipper Jan Floor neemt het bevel van hem over.

Een zekere Jan haring doet tijdens de zeeslag van zich spreken door in het wand van het vlaggenschip van Bossu, de 'Inquisitie' te klauteren, de admiraalsvlag los te snijden en de prinsenvlag te hijsen. Tijdens het naar beneden klimmen, raakt een kogel hem in de borst en dood valt hij in zee.



Zijn vrienden halen zijn lichaam uit het water en dragen hem nadat de gevechten zijn beëindigd, in een open kist naar het stadhuis, waar velen hem de laatste eer bewijzen. De admiraalsvlag wordt in de toenmalige Grote Kerk opgehangen.

Het strijken van de admiraalsvlag betekende het einde van de zeeslag. Van de overige schepen van de vloot van Bossu, die zich in het algemeen zwak verweerden, werd een vijf- of zestal genomen, de overige, waaronder de schepen van Bossu's onderbevelhebbers Van Boschuysen en Jan Simonszoon Rol, vluchten terug naar Amsterdam. 
Door dit gevecht verwierven de aanhangers van de Prins van Oranje de onbetwiste heerschappij op de Zuiderzee; de blokkade van Amsterdam bleef gehandhaafd tot 1578, wat belangrijke economische gevolgen met zich meebracht.

(Cornelis Dirkszoon.)

De gevangen genomen zeelieden van de Spaanse vloot werden geruild tegen de mannen die de Spanjaarden na de slag om Haarlem hadden vast gezet. Na de verloren slag op de Zuiderzee probeerden Spaanse soldaten vanuit Amsterdam het Waterland en de Zaanstreek te veroveren met de bedoeling om door te stoten naar West-Friesland. Veel burgers komen hiebij om het leven en slaan op de vlucht.
Maximiliaan de Hennin, heer van Bossu, stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht wordt gevangengezet in het Weeshuis aan de Korte Achterstraat in Hoorn.
De oranje gezinde geuzen veroveren steeds meer gebieden in Noord-Holland.
Na de Pacificatie van Gent in 1576 loopt Bossu over naar de geuzen.



Cornelis Dirkszoon wordt in 1572 burgemeester van Monnickendam en tevens admiraal van de geuzen in Noord-Holland.

HET SCHILDERIJ.


De raad van de zeven belangrijkste steden van West-Friesland, Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen, Medemblik, Edam, Monnikendam en Purmerent, geven in 1662 opdracht een groot schilderij van de slag op de Zuiderzee te maken. Jan Theuniszoon uit Alkmaar krijgt de opdracht. Drie jaar later is het klaar. Kosten 800 gulden voor het schilderij en 575 voor de fraaie houten lijst.
Het hangt heden nog steeds in het Statenlogement van Hoorn.

Links van de 'Inquisitie'ligt het fregat van kapitein Pieter Back uit Hoorn en rechts het schip van kapitein Jan Trynties uit Enkhuizen. Het schip met de oranje vlag dat achter de 'Inquistie' naar rechts vaart is vermoedelijk van kapitein Boer uit Schellingwoude. Vanuit dit kleine schip probeert men tevergeefs de 'Inquisitie' te veroveren. Het lukt niet het grote schip te enteren. Op de achtergrond links overvaart het schip met de gebalde zeilen een galei uit Amsterdam.



De stad Hoorn schenkt in 1619 het zogeheten Bossuraam dat de Slag op de Zuiderzee uitbeeldt aan de Oosterkerk van Hoorn. OP de afbeelding enteren de watergeuzen het schip van Bossu.

(De afbeeldingen in de twee afbeeldingcollage's zijn van de gevelfriesen van de drie 'Bossuhuizen' aan de Slapershaven te Hoorn.)


woensdag 22 november 2017

TWEEKLEPPIGE SCHELPDIEREN.

      

             OP IEDER 'POTJE' 

         PAST EEN DEKSELTJE.


SCHELPDIEREN.

Tweekleppige schelpdieren zijn schelpdieren waarvan de schelp uit twee helften bestaat, die alleen aan de rugzijde door middel van een slot zijn verbonden.
Dit slot bestaat uit een veerkrachtige stof die de beide schelphelften uiteendrukt; het sluiten geschiedt door twee sluitspieren die de twee helften verbinden, soms door één sluitspier.
In rust staat de schelp open en als de schelp ook na krachtige aanraking niet sluit, is het dier dood.


HET LICHAAM.

De zachte delen worden aan beide zijden omsloten door twee mantellobben, deze scheiden ook het materiaal af dat de schelp maakt.
Hoewel sommige mantelschelpen en stekeloesters een soort lichtgevoelige 'ogen' rond de randen van de mantel hebben, hebben tweekleppigen geen kop of radula.
De hebben wel spijsverteringsorganen, een hart en een omloopsysteem.

Binnen de mantelholte liggen de kieuwen, die dienen als voedselfilters voor zwevende micro-organismen en plankton. Ze trekken de deeltjes naar binnen op de ademhalingsstroom door met de haarachtige cilia in de holte te slaan.
Aan het posterieure deel van de mantel bevinden zich twee buizen, sipho's genoemd, een voor het naar binnen zuigen, de ander voor het uitblazen van water. Deze sipho's kunnen voor het sluiten van de schelp worden binnengetrokken. Voedsel komt eerst via de inzuigende sipho naar binnen, wordt gefilterd door de kieuwen en komt uiteindelijk bij de mond. In het algemeen geldt dat hoe langer de sipho is , hoe diep[er de soort in het substraat leeft, vaak tweemaal de lengte van de schelp zelf.
De kieuwen hebben weinig te maken met de ademhaling, het dier krijgt zuurstof binnen de mantel. Afvalmateriaal  wordt geloosd via de uitblazende sipho.

 Sterke spieren (adductoren) worden gebruikt om de kleppen te sluiten, veel soorten hebben er twee. Aan de binnenzijde zijn de indrukken van de spieren te zien; deze zijn vaak van onschatbare waarde voor het determineren van de soort.
Het soepele ligament dat vlak bij de umbo te vinden is, heeft de tegenovergestelde functie van de spieren: het heeft de neiging de schelpen uit elkaar te duwen. Door beide krachten kan het dier de schelp bewust openen en sluiten.
De voet kan worden gebruikt om te graven, te kruipen of om de schelp aan het substraat of rotsen te hechten met behulp van byssusvezels. Bij vrijzwemmende en vastzittende soorten is de grote van de voet sterk gereduceerd.

Vrijwel alle soorten zijn eetbaar en daar zij  in de getijzone gemakkelijk te bemachtigen zijn, hebben vele van oudsher een belangrijke voedselbron gevormd voor de mens. Ook veel dieren, waaronder talrijke vissen, voeden zich met deze schelpdieren. het aantal soorten is zeer groot; verreweg de meeste schelpen van onze stranden zijn van deze diergroep afkomstig.
Enkele soorten zijn voor de mens van directe betekenis.


MOSSELEN.

(Mosselbank bij eb.)

Mosselen (Mytilus edulis) leven in de gehele noordelijke Atlantische Oceaan aan de kusten en in de binnenzeeën, tot in het brakke water. In de Middellandse Zee komt een zeer na verwante soort voor.
Zij hechten zich vast aan alle mogelijke voorwerpen, als beschoeiingen, boeien, scheepswanden en ook in leidingen voor zeewater. Ook vormen zij een aaneengesloten laag op de bodem; zo ontstaan mosselbanken.
Zij kunnen lange tijd buiten water en zijn daardoor in staat ook boven de laagwater lijn te leven.
Het vast hechten geschiedt doordat de voet draden (bysssus) afscheidt die op vaste voorwerpen worden vastgehecht. het dier ligt daarmee vast verankerd en kan zo krachtige golfslag weerstaan.


(Mossel met uitgestoken voet.)

De aan weer en wind blootgestelde exemplaren hebben een veel veerkrachtiger schaal dan die in diep water.
Door middel van de voet, die uitgestoken, dan vastgezet en weer ingetrokken kan worden, kan de mossel zich verplaatsen. Het voortplantingsvermogen is enorm: in voorjaar en voorzomer worden zeer grote aantallen eieren gelegd, maar nog vrijwel het gehele jaar door blijven wijfjes met eieren voorkomen. De larven leven, zoals vrijwel alle soorten van deze dierengroep, in het plankton. Het vlees van de mossel is zeer smakelijk en daarom worden grote hoeveelheden gevangen en vooral geteeld.


KOKHAAN.

Kokhaan of kokkel (Cardium edule) is een zware ovale schelp met krachtige ribben, een grote voet en korte siphonen.
Deze schelp leeft ingegraven in de bodem van de zeeën van West-Europa, vaak in grote hoeveelheden in binnenzeeën, bijvoorbeeld in de Waddenzee. Dringt door tot in brak water em kwam vroeger in de toenmalige Zuiderzee in grote hoeveelheden voor, maar werd een dwergvorm.
Het vlees is zeer smakelijk. De kokhaan kan echter niet lang buiten water; daarom wordt hij gekookt en gezouten aan de markt gebracht. De schelp bevat veel kalk en wordt gebruikt voor kalkbranden en kippengrit.


STRANDGAPER.

De strandgaper (Mya arenaria) is een grote geelwitte schelp met donkere strepen die achter een gappende opening heeft, waardoor de zeer lange sipho naar buiten komt.
Leeft ingegraven in de bodem van de Noord-Atlantische zeeën, vooral in binnenzeeën langs de kusten, onder de de Amerikaanse oostkust. Vormt daar een geliefd voedsel onder de naam clam, waaronder echter ook nog een aantal andere soorten gerekend wordt.



OESTERS.

Oesters kent soorten van de geslachten Ostrea en Crassostrea. Ze komen in gematigde en warme streken van de gehele wereld voor, voornamelijk langs de kusten en in binnenzeeën.
Zij hebben slechts één sluitspier; de schelphelften zijn ongelijk: de ene is napvormig, de andere ligt er als een deksel op.
Met de enen schelp hecht de oester zich in zijn jeugd vast op een hard voorwerp. Hij kan hier door verdere kalkafscheiding zijn gehele leven op vastgehecht blijven. Een voet is niet niet ontwikkeld.
De echte oesters kunnen afwisselend als mannetje en wijfje fungeren; de larven brengen hun eerste dagen in de schelpholte door, daarna ontwikkelen zij zich verder in het plankton.
De naverwante Portugese oester en die van de Amerikaanse oostkust zijn van gescheiden geslacht.
De oester behoort van oudsher tot de meest gewaardeerde delicatessen. Er is daarom veel op gevist en de meeste oesterbanken langs de Europese kusten zijn thans verdwenen. De nieuwe worden kunstmatig aangelegd. In de voortplanting van de oester is een zwakke schakel, doordat de larve bij de beëindiging van haar platonisch leven een schoon en hard voorwerp nodig heeft om zich op vast te hechten. Zulke voorwerpen zijn schaars in zee, daar zij begroeid raken met allerlei organismen.
Door de oesterteelt worden thans grote hoeveelheden oesters geleverd.

KAMSCHELPEN.

Kamschelpen (Pecten) vertonen overeenkomst met de oester doordat zij maar één sluitspier hebben en de schelphelften ongelijk verdeeld zijn: de ene is gewelfd, de andere het deksel, soms bijna plat; bij sommige soorten is het verschil tussen beide helften slechts gering.
De kamschelpen kunnen zich vrij snel zwemmend voortbewegen met de buikzijde naar voren, door plotseling de schelp te sluiten; het water in de schelp wordt dan met kracht door een paar openingen onder de slotlijn uitgestoten.
Aan de rand van de mantel bevinden zich tentakels en eenvoudig gebouwde ogen. Soorten van het geslacht Pecten zijn fraai oranje en geel gekleurd. De schelp kan tot 15 cm in diameter zijn en wordt veel gebruikt voor het opdienen van kleine snacks. Het vlees van de kamschelp geldt als een delicatesse.


PARELMOSSEL.

De parelmossel is van het geslacht Pteria of Pinnctada, levert parels en parelmoer.
Deze mossel komt veel voor in de Indische Oceaan; Perzische Golf, Rode Zee en bij Sri Lanka.



VENSTERMOSSELEN.

De venstermosselen, soorten van het geslacht Placuna, hebben schelpen die gedempt licht doorlaten.
Ze bewonen ondiep warm water.
Zij worden tot platen van 6 tot 8 cm gesneden en in Zuidoost-Azië gebruikt als vensterglas.
In de Filipijnen worden ze gekweekt voor de schelpennijverheidsindustrie.





MES- OF ZWAARDSCEDE.

 Messcheden (Solenidae) en zxwaardscheden (Cultellidae) tellen wel 100 soorten.
De meesten komen voor in het Atlantische Oceaan gebied en de Middellandse Zee. Verder nog in kleinere en rondere vorm rond de Filipijnen en in de Indische Oceaan.
Het vlees is eetbaar.





REUZENSCHELP OF DOOPVONTSCHELP.


Deze reuzenschelp (Tridacna gigas) is een langzaam groeiend monster, dat vaak een lengte bereikt van 1,2 meter en meer dan 230 kilo kan wegen.
De naam 'doopvontschelp' komt door het feit, dat deze schelp vroeger als een doopvont werd gebruikt in de kerken, vooral in de Filipijnen.
De schelp leeft in warme, tropische Indo-Pacifische wateren, het meest algemeen in de Filipijnen, waar de schelp sedentair leeft, ingegraven tussen de rotsen en koralen met het slot naar beneden.
De wijde opening is naar het zonlicht gericht dat de groei van algen, waarvan de schelp leeft, bevordert. De schelp is een belangrijke voedselbron en wordt buiten als doopvont gebruikt als kinder- badje en ornament.
De randen van de schelp zijn zeer scherp, dus voorzichtigheid is geboden bij het hanteren van deze enorme schelpen. Het verhaal gaat dat zij duikers ledematen hebben afgeklemd.
Deze soort kan ook parels maken, die echter niet erg waardevol zijn. De schelp is momenteel beschermd.


zondag 19 november 2017

TRAFALGAR ZEESLAG.


TRAFALGAR.

Trafalgar is een kaap aan de zuidwestkust van Spanje aan het einde van de Straat van Gibraltar, waar op 21 oktober 1805 een zware zeeslag plaats vond tussen de Engelse en een Frans-Spaanse vloot.


WAT VOORAF GING.

Nadat in december 1804 Spanje zich aan de zijde van Frankrijk had geschaard in de oorlog tegen Engeland, werd de Franse admiraal De Villeneuve door napoleon naar West-Indië gestuurd om daar zoveel mogelijk schade aan te richten aan de Engelse bezittingen.
Admiraal Nelson kreeg ven de Engelse regering opdracht De Villeneuve te achtervolgen. Het geheel is echter op niets uitgelopen en bij zijn terugkeer probeerde de Franse vlootvoogd tevergeefs zich te verenigen met het eskader in Rochefort. Hij trok zich terug in de Cadiz, waar de Franse vloot opdracht van napoleon kreeg zich naar de Middellandse Zee terug te trekken nadat De Villeneuve van zijn commando was ontheven.
Op 25 september 1805 aanvaarde admiraal Nelson het bevel  over de Britse vlootblokkade bij Cadiz.
Teneinde de Fransen naar buiten te lokken, paste hij de blokkade op afstand toe.
De Villeneuve besloot niet op zij aflosser te wachten en op 19 oktober 1805 koos hij zee met zijn vloot. Twee dagen later kregen de Britse en de Franse vloot elkaar nabij Kaap Trafalgar in zicht.


DE HOOFDROLSPELERS.


Aan Britse zijde; bevelvoerder admiraal Horatio Nelson (links) en admiraal C.Collingwood (rechts).

Britse vlootsterkte; 27 linieschepen.






   
                                                                                 






Aan de Frans-Spaanse zijde;
Admiraal Pierre de Villeneuve voor de Fransen (links) en admiraal Don Federico Carlos Gravine (rechts) voor de Spanjaarden.     

Franse vlootsterkte; 18 linieschepen.
Spaanse vlootsterkte 15 linieschepen.





DE ZEESLAG.

Bij het inzicht komen van de twee vloten stond er een westen wind en de Franse vlootvoogd, Villeneuve, gaf opdracht in kielinie te formeren, waarbij Gravina de voorhoede vormde.
Toen Villeneuve bemerkte dat hij er niet in zou slagen naar de Middellandse Zee door te breken, gaf hij bevel te halzen, om zich eventueel in Cadiz te kunnen terugtrekken.
Nelson hield intussen op een oostelijke koers in twee linies op Villeneuve aan.
Vlak voordat de strijd zou ontbranden liet hij het beroemde sein 'England expets that every man will do his duty' geven.


Het was de bedoeling dat Nelson's tweede man admiraal C.Collingwood, met 15 schepen de achterhoede van zijn tegenstander zou aanvallen en vernietigen, terwijl hijzelf de middentocht en de voorhoede zou aantasten.

Het was een gevaarlijke manoeuvre, die bekend staat als 'Crossing the T' of enfileren. Dit is een zeer belangrijke manoeuvre in de zeetactiek toen het artilleriegevecht nog starre linies vereiste; door snelheidsoverschot kon deze positie worden nagestreefd.


Collingwood was de eerste die de vijandelijke linie doorbrak. 
Nelson voerde op het laatste moment een koerswijziging uit, waardoor De Villeneuve verhinderd werd Gravina te hulp te komen.
De voorhoede werd de mogelijkheid ontnomen tijdig te wenden om de Franse vlootvoogd terzijde te staan.


      (De 'Royal Sovereign' kruist de boeg van de 'Fuguex' en de achtersteven van de 'Santa Anna'.)

Na een strijd van drie uur hadden 18 schepen van de gecombineerde Frans-Spaanse vloot de strijd opgeven en was De Villeneuve gevangen genomen. Admiraal Nnelson vond de dood tengevolge van een verwonding door een musket kogel hetgeen voor de Britten een zware slag was.
Het resultaat van deze zeeslag was:
Aan Britse zijde vielen 449 doden en 1242 gewonden.
Aan Franse zijde waren er 17 schepen veroverd en een vernietigd. Vielen er 3650 doden en werden 7000 zeelieden gevangen genomen.
Aan Spaanse zijde vielen 2000 doden.

De zeeslag bij Trafalgar heeft invloed gehad op het verloop van de Napoleontische oorlogen. Bovendien kreeg Engeland de suprematie op alle zeeën. Deze zeeslag was de laatste grote zeeslag tussen zeilschepen van naties in volle zee.

ENFILEREN.

Het enfileren is een ander vaartuig in de lengterichting met geschut bestrijken. Vanaf de tijd dat het kanon voor schepen het voornaamste strijdmiddel werd, was het aantal stukken, opgesteld in de zijden, belangrijk groter dan de enkele voor en naar achter vurende kanonnen.
Een positie waarbij men de zijde van het eigen vaartuig kon keren naar boeg of spiegel van de tegenstander, was daarom tactisch voordelig, niet alleen door de verhouding in vuurkracht maar ook door de grotere dieptewerking van in de lengterichting van een schip binnendringende projectielen.
Onder meer het streven van schepen in verband elkaars zwakke voor- en achterschip te dekken, leidde tot het formeren van een kiellinie. Men noemt dit 'Crossing the T'.




                   















vrijdag 17 november 2017

KRABBELAAR. WAT IS DAT?

           EEN VAARGEUL 

            UITBAGGEREN 

              MET BEHULP 

           VAN HET GETIJ.


KRABBELAAR.


Voorbeeld van een krabbelaar voorgetrokken door een roeiboot anno 1753.






Een krabbelaar is een werktuig of machine om hard zand en modder, stenen en vuil los te maken uit de bodem van een vaarwater of een havengeul ten einde dit te kunnen uitbaggeren of weg te spuien.
Sommige krabbelaars werden door het spuiwater zelf aangedreven. Ze bestonden uit een pont of boot, waarop een groot met tanden voorzien wiel stond opgesteld. Door het spuiwater werkten de tanden de grond van het vaarwater los.

Eenvoudige krabbelaars waren samengesteld uit enkele verticaal naast elkaar staande wielen met tanden die over de bedding werden gesleept door een boot of paarden (zie afbeelding boven).
Bij een ander systeem werd een soort eg of ploeg de grond losgewoeld. Dit werktuig werd door een boot of paard voortgesleept terwijl een opvarende de krabbelaar op gewenste diepte hield.
Krabbelaars werden in de 15e eeuw in Zeeland reeds gebruikt. Voor de afvoer van de losgekrapte bodemdelen werd gebruik gemaakt van eb en vloed.

Zware krabbelaars, die gebruikt werden in havens waar een groot verschil was tussen eb en vloed, waren getuigd met een zeil.













De krabbelaar kan worden beschouwd als de oervorm van de snijkop aan een moderne cutterzuiger.

Het hiernaast afgebeelde vaartuig is een moderne versie van de oude krabbelaar.
Hier wordt geen gebruik gemaakt van tanden om de grond los te maken, maar hoge waterdruk.
Het zwarte deel achter het vaartuig kan men laten afzakken tot op de boden van het vaarwater, waarna water met hoge druk naar buiten zal worden geperst en de waterstralen de bodem los spuiten.
Het vaartuig werd gebouwd bij van Oord.
Zie werking op https://youtu.be/JfVKrLYXiM
van Oord Water Injection.





donderdag 16 november 2017

NANSEN-WATERSCHEPPER EN KANTELTHERMOMETER.

             

                  OM DE TEMPERATUUR 

                         VAN WATER OP 

             GROTE DIEPTE TE METEN.


KANTEL- OF DIEPZEETHERMOMETER .

Ook wel omkeerthermometer genoemd. het is een glasthermometer, gevuld met kwik, waarmee op zeer grote diepten de temperatuur van het zeewater kan worden bepaald.
Het instrument bestaat uit een hoofdthermometer en een hulpthermometer welke wordt bevestigd op een waterschepper of op een frame dat tot kantelen kan worden gebracht, en zo aan een lijn onder water neergelaten. 
De meestgebruikte waterschepper is de Nansen-waterschepper.

NANSEN-WATERSCHEPPER.

1.  valgewicht.
2.  afsluiter.
3.  aftapkraan.
4.  omkeerthermometers.
5.  hefboom voor het in werking stellen van de afsluiter 2 en 9.
6.  cilinder, inhoud ca. 1 liter.
7.  bevestiging van het valgewicht 11.
8.  bevestiging aan de kabel.
9.  afsluiter.
10. beluchtingsventiel.
11. valgewicht.


(Kantelwaterschepper in actie.)

De waterschepper is een instrument waarmee onder de zeeoppervlakte op elke willekeurige diepte een watermonster kan worden genomen voor onderzoek in het laboratorium.
Het meest wordt de Nansen-waterschepper gebruikt.
Hiervan kunnen er verschillende tegelijk in geopende toestand, elk met een onder- en een bovenbevestiging, onder elkaar aan dezelfde lijn worden opgehangen. De waterscheppers worden in geopende toestand neergelaten.
 (1) Door een valgewichtje dat langs deze lijn glijdt wordt de bovenbevestiging aan de lijn losgekoppeld, waardoor de bovenste en zich sluit.
(2) Het valgewichtje glijdt langs de lijn tot de onderbevestiging en maakt hier een ander valgewichtje los, dat onderaan de bovenste waterschepper was gehangen. Door dit tweede val gewichtje wordt de volgende waterschepper tot kantelen gebracht.
(3) Nadat de hele serie waterscheppers is gekanteld, wordt de lijn opgehaald, waarna de waterscheppers aan dek worden afgetapt.  
       (1)       (2)           (3)

KANTELTHERMOMETER.


Beschermde kantelthermometer.

Links: rechtop tijdens het neerlaten.
Midden: in omgekantelde stand tijdens ophalen en het aflezen.
Rechts: onbeschermde kantelthermometer.

M = kwikreservoir.
V = hulpreservoir.
C = capillair.
E = zijtakje.
D = afbreekpunt.
L - winding.
S = temperatuuraflezing.
T = hulpthermometer.

Wanneer de thermometer op de gewenste diepte de temperatuur van het water heeft aangenomen, wordt hij door het valgewichtje gekanteld.
Hierbij breekt de kwikdraad in het capillair op een bepaald punt, waar zich een vernauwing bevindt. De hoeveelheid kwik boven het breekpunt, nu dus onder dit punt, geeft de temperatuur van het water aan.
De thermometer wordt in omgekeerde stand opgehaald. Op de van de schaalverdeling afgelezen waarde van de temperatuur moet alleen een kleine correctie worden toegepast voor de temperatuur tijdens het moment van aflezen. Op deze wijze kan de temperatuur met een nauwkeurigheid van ongeveer 0,02 graad celcius worden gemeten.
Om de thermometers onder water te beschermen bevinden zij zich in glazen hulzen die de druk opnemen. Thermometers die niet zo'n beschermende huls hebben geven een te hoge aanwijzing ten gevolge van het drukeffect. Hiervan maakt men gebruik door uit vergelijking tussen de aanwijzing van een beschermde thermometer, afkomstig van dezelfde diepte, de druk, dus de diepte, tijdens het kantelen te bepalen.

NANSEN.

Fridtjof Nansen was een Noors zoöloog, poolreiziger, diplomaat en filantroop. Hij maakte in 1888 een reis dwars door Groenland met hondesleden. Liet het poolschip de 'Fram' bouwen, dat in het poolijs omhoog gedrukt werd en niet gekraakt en bereikte in 1895 de Noordpool.
Hij ontving in 1922 de Nobelprijs voor de vrede.


woensdag 15 november 2017

KAMPERDUIN. LAATSTE BATAAFSE ZEESLAG.

LAATSTE ZEESLAG 

VAN DE 

BATAAFSE REPUBLIEK.

KAMPERDUIN.

Kamperduin is een plaats gelegen in de gemeente bergen in de provincie Noord-Holland. In het verleden heette deze buurtschap Camp of Kamp. Kamperduin ligt aan het strand van de Noordzee, precies op de scheiding van de Hondbossche Zeewering en de duinen.

BATAAFSE REPUBLIEK.

In 1795 werd Nederland door de Franse troepen bezet en riepen de Nederlandse revolutionairen de Bataafse Republiek uit en werd het een vazalstaat van Frankrijk. De Nederlandse marine welke noch steeds door Nederlanders werd bemand, werd door de Franse gezaghebbers gecommandeerd voor de Franse oorlogen op zee.

ZEESLAG BIJ KAMPERDUIN.

Twee jaar na het uitroepen van de Bataafse Republiek blokkeerde de Engelse vloot onder bevel van vice-admiraal Adam Duncan, Den Helder en Texel. Toen de blokkade vloot opdracht kreeg om naar Yarmouth te varen voor bevoorrading zagen de Nederlanders kans om uit te breken op last van de 'Commissie tot de Buitenlandse Zaken' onder bevel van vice-admiraal Jan Willen de Winter.

(De 'Venerable' breekt door de Nederlandse linie.)

Op de Noordzee ontstond op 11 oktober 1797 voor de kust ten noordwesten van Alkmaar, Kamperduin, een zeeslag plaats tussen 24 Britse en 25 Nederlandse schepen. De vloot bestond uit zestien linieschepen en verder lichtere bodems. Deze vloot was oorspronkelijk samengebracht voor de invasie in Ierland.
De Britten vielen aan met een strijdwijze die ook gebruikt zou worden bij de de zeeslag bij 'Trafalgar' in 1805.


(De 'Vrijheid' gereduceerd tot een wrak.)

Tussen Egmond aan Zee en Kamperduin kreeg De Winter, richting Den helder zeilende om te voorkomen dat de Britten zich tussen hem en zijn basis zouden plaatsen, op 11 oktober zicht van de hem reeds gemelde vloot van Duncan.
Door gebrek aan geoefendheid op de Bataafse vloot verliep het formeren van de slaglinie moeizaam en niet volgens plan. Onder meer kwam het vlaggenschip van J.A. Bloys van Treslong, die de voorhoede commandeerde, bij het centrum terecht in plaats van bij de voorhoede.
De Winter's toeleg om, dicht onder de kust varende, de Britten in een zodanige positie te brengen, dat zij bij een aanvalspoging gevaar zouden lopen aan lager wal te geraken, mislukte eveneens.
Het Britse schip de 'Venerable' wist met enige andere schepen door de Nederlandse linie heen te breken en viel met drie andere schepen 'De vrijheid' van vice-admiraal de Winter aan.
Het vlaggenschip van de Bataafse Republiek werd door hevige beschietingen in drie uur tijd tot een wrak gereduceerd.

(De 'Hercules' onder vuur van de 'Triumph'.)

In de daarop volgende gevechtsfase, in feite een serie vuurduels, soms gevold door entergevechten, woog opnieuw zwaar de betere training en verder ook de zwaardere bewapening met corronades  en bemanning van de Britse schepen.
Het resultaat was dat van de Bataafse vloot negen linieschepen en één fregat door de Britten werden veroverd. Hieronder was het Bataafse vlaggenschip, de 'Vrijheid'; De Winter werd krijgsgevangen gemaakt en de 'Jupiter'.
Het gros van de overige Bataafse schepen verzette zich met hand en tand, maar waren niet tegen de Britse overmacht opgewassen.



                                        (De 'Delft' in gevecht tegen Britse overmacht.)

De Britten wisten in een achtervolging de 'Delft', 'Alkmaar', 'Haarlem', 'Monnickendam'en 'Jupiter' te overmeesteren. De brandende 'Hercules' kwam midden in het gevechtstoneel terecht en dreigde in aanvaring te komen met de 'Brutus' van Treslong, die hierdoor verhinderd werd om De Winter te hulp te komen.

HET RESULTAAT.

(De Winter overhandigd zijn sabel aan Duncan.)


De Britten veroverden in totaal tien schepen. Aan beide zijden was het aantal doden en gewonden enorm. Onder de Britten vielen er 220 doden en 812 gewonden op een aantal van ongeveer 9000 opvarenden. Onder de Nederlanders 540 doden en 620 gewonden onder 7200 opvarenden.
Als resultaat van de zeeslag werd de Franse expeditie naar Ierland uitgesteld tot augustus 1798. waarna afgelast vanwege het slechte weer.
Diverse Bataafse bevelhebbers kwamen na de zeeslag voor een krijsraad. Een aantal van hen werd vrijgesproken omdat zij hun schepen dapper hadden verdedigd alvorens te strijken; anderen werden wegens lafheid tot soms zware straffen veroordeeld.
Jan Willen de Winter en zijn manschappen waren door de Britten gevangen genomen. In 1797 werden zij vrijgelaten, na de belofte nooit meer tegen de Engelsen te vechten. Bij zijn terugkeer werd hij op eigen verzoek berecht en van alle blaam vrijgesproken. Hij zou Johan Arnold Bloys van Treslong niet te hulp zijn gekomen. De krijgsraad beperkte zich echter uitdrukkelijk tot de beoordeling van zijn gedrag tijdens het gevecht. Treslong werd wegens plichtverzuim en ongehoorzaamheid uit dient ontslagen, zijn vlaggenkapitein Johannes Martinus Polders wegens nalatigheid en begane misslagen in rang verlaagd.
De Winter werd door koning Lodewijk bevorderd tot maarschalk, hij overleed in juni 1812.



Duncan werd 'Viscount of Camperdown', terwijl ook diverse van zijn onderbevelhebbers beloningen ontvingen.
Een speciale herdenkingsmunt werd on Londen geslagen. De Britse Royal Navy herdacht de zeeslag door vier schepen de naam HMS 'Camperdown' te geven en zeven de naam HMS 'Ducan'.

Deze slag kan gelden als de grootste overwinning, ooit door de Britten op de Nederlanders behaald.
Het was de eerste keer dat zij erin slaagden een Nederlandse opperbevelhebber gevangen te nemen.
Voor de Nederlandse zeemacht was dit gevecht de laatste belangrijke zeeslag met uitsluitend zeilschepen, en de enige grote zeeslag van de Napoleontische tijd.