vrijdag 13 april 2018

KOF OF KOFSCHIP.

 

  EEN NAAM MET DE 'K' 

     VAN KUSTVAARDER.


KOF OF KOFSCHIP.

Kof ook kofschip genaamd is een kustvaarder die in de loop van de 18e eeuw tot in het midden van de 19e eeuw in Nederland, België en Duitsland in de vaart was en de plaats innam van de fluit en het katschip.
Het type is ontstaan in Nederland waar het vooral in Friesland en in Groningen werd gebouwd.

Kofschip.
1. Roef.
2. Zwaard.
3. Grote mast.
4. Grootzeil.
5. Marszeil.
6. Bramzeil.
7. Boegspriet.
8. Kluiverboom.
9. Stagfok.
10. Kluiver.
11. Buitenkluiver.
12. Jager.
13. Bezaansmast.
14. Bezaanzeil.



In de 19e eeuw bouwde men ook koffen in Duitsland en België. De kof was een zwaar gebouwd schip met een vrij sterke zeeg en met een lengte / breedte verhouding van 3 : 1.
Voor- en achterschip waren rond. het doorlopend dek was op het achterschip afgesloten door een paviljoen, waaronder zich de kajuit bevond. Tussen beide masten stond een dekhuis.
Door hun volle vorm hadden deze schepen een grote drift en zij voerden daarom zwaarden.
In 1735 werd door een Friese scheepsbouwer, Hylke Janszoon Kingma, een dieper koftype gebouwd waarvan het achterschip vrij sterk en het voorschip licht gepiekt waren. Deze koffen voerden geen zwaarden meer. 
Schoenerkof.
1. Roef.
2. Fokkemast.
3. Schoenerzeil.
4. Fok.
5. Marszeil.
6. Bramzeil.
7. Bovenbramzeil.
8. Boegspriet.
9. Kluiverboom.
10. Jaaghout.
11. Spaanse ruiter.
12. Voorstengestagzeil.
13. Kluiver.
14. Buitenkluiver.
15. Grootstengestagzeil (vlieger); 16. Grote mast; 17. Grootzeil; 18. Gaffeltopzeil;
19. Lijzeilen. (gestippeld); 20 Rederijvlag; 21. Naamwimpel; 22. Nationale vlag.


De tuigage bestond uit een vrij groot anderhalfmasttuig. Op de boegspriet met jagerboom werden kluivers en een jager gevoerd. Aan de grote mast werden volgende zeilen bijgezet: een stagfok, een grootzeil met gaffel en boom, een topzeil en een boventopzeil. Soms werd ook een breefok gevaren.
De bezaansmast was met een  klein bezaanzeil getuigd.
In de 19e eeuw werd op veel schepen een schoenertuig geplaatst. Bij deze schoenerkoffen werden drie voorzeilen gevoerd; aan de voorste mast vier razeilen, een schoenerzeil en een vlieger.
Aan de achterste mast werd het oude bezaanzeil, nu grootzeil, vergroot en aangevuld door een gaffeltopzeil.
Deze schepen hadden ook een lengte/breedte verhouding: 4,4 : 1. Het laadvermogen van de koffen schommelde tussen 100 en 300 ton, de lengte tussen 16 en 30 meter.
De kof en de galjoot worden dikwijls met elkaar verward.


                                                                           








dinsdag 3 april 2018

SAWA. TERRASBOUW, BEWERKING EN PRODUCTIE.

HET CULTIVEREN VAN EEN HEUVELACHTIG GEBIED VOOR DE LANDBOUW.

TERRASBOUW.

Een terras in de landbouw is een afgevlakt stuk grond in een heuvel- bergachtig gecultiveerd gebied met als doel bodemconservering door het vertragen of tegengaan van de versnelde oppervlakte afstroming van irrigatiewater of regen water.
Deze grond is vaak onderverdeeld in meerdere terrassen, wat resulteert in een getrapt aanzien.
Deze vorm van landbouw voor de voedselvoorziening was reeds bekend bij de Inca's in Peru die rechte terrassen bouwden of gedraaid in een spiraalvorm naar beneden, met stenen wanden.


Een heel andere vorm van terrassenbouw komen we tegen op het eiland Bali (Indonesië), waar deze terrassen voorkomen op een hoogte van 1600 meter boven de zeespiegel en ze de vorm van de berghelling volgen, waardoor ze grillige vormen en verschillende oppervlakten hebben.
Het is een spectaculaire vorm van agricultuur die het vaak een beeld geeft van groene traptreden die langzaam naar de hemel opklimmen.
Deze vorm van cultuur komt men ook tegen in de Filipijnen en China.
Deze vorm van terrasbouw wordt in Indonesië  de sawa genoemd.
Het verschil met de terrasbouw van de Inca's, is dat men hier geen gebruik maakt van gestapelde stenen stenen muurtjes maar van aarden wallen en kleine smalle dijkjes.
In Europa kennen we een soort van terrasbouw in de druivencultuur op de hellingen van de rivieren in de wijnbouwgebieden.

SAWA TERRASBOUW.

Een sawa of sawah terras wordt niet achteloos tegen een berghelling aangelegd. De stand van de zon op deze helling is van groot belang voor de groei van de gewassen.
Voor de aanleg van deze terrassen wordt eerst de begroeiing van de helling gekapt en verbrand, waarna deze terrassen met de hand worden aangelegd door grote groepen agrarische communies onder toezicht van opzichters die weer verantwoording af dienden te leggen aan de heerser van het gebied. Men begon onder aan de helling met het afvlakken van het eerste deel en gebruikte de weggenomen aarde om daarmee de dijkjes rond het deel aan te leggen, welke later het water dienden tegen te houden bij het onderwater zetten van de gecultiveerde grond.
Volgend de vorm en glooiing van de helling ontstonden er grillige vormen.


Technisch een ingewikkeld, gecompliceerd delicaat werk, waarbij een zeer kundige kennis nodig was voor een goed watersysteem voor de bevloeiing van de terrassen.
Zonder meer was men afhankelijk van de regenperiode voor de bevloeiing van de sawa, maar men schrok er niet voor terug om een waterrijke bron langs de helling om te leiden en het water door middel van kleine sluisjes en kanaaltjes over de sawa's te verdelen.

Was een bepaald deel van de terrassen niet via een kanaaltje te bereiken, dan maakte men weer gebruik van de grote dikke stelen van de bamboe, welke men in de lengte door midden spleet , de dammetjes er uit verwijderde en het water er door liet stromen.
Zo verbouwde men reeds meer dan 2000 jaar rijst op deze terrassen.


Het onderhoud van deze terrassen is arbeidsintensief werk.
Bij zware regenval kunnen door het overstromen van de terrassen de dijkjes doorbreken. Maar de dijkjes zijn niet alleen om het water tegen te houden, er wordt ook over gelopen door de bewerkers van de sawa. Om ze stevigheid te geven laat men ze daarom vol groeien met een kort grassoort, de wortels hiervan houden de aarde vast.
Het is te danken aan het ingenieuze bewateringssysteem, dat men op sommige hellingen twee tot drie rijstoogsten per jaar heeft. 



BEWERKING EN PRODUCTIE.

De bewerking en productie van gewas op deze terrassen is veel intensiever, dan op de grotere vlakke sawa's. Op deze kleine percelen is het zelfs heden ten dagen nog steeds handarbeid.

Alvorens men er toe kan overgaan om het gewas te zaaien of te poten moet de grond omgeploegd worden. Nog nog gebeurt dit op de ze percelen met behulp van een span ossen voor een kleine ploeg bestuurd door de boer. Met een soort hark maakt men daarna het bodemoppervlak zo glad mogelijk.
In een klein perceel of een hoek van een groter perceel heeft men de nieuwe rijstplantjes in gezaaid om deze later in het omgeploegde perceel te poten. Deze werkzaamheden gebeuren over het algemeen in samenwerking van de dorpsbewoners. Is men meer kapitaal krachtig, dan heeft men gezamenlijk een kleine motorploeg in gebruik.




Het planten van de jonge rijstplantjes is zuiver vrouwen werk, die in een mandje de kluit jonge platjes bij zich hebben en deze in de natte boden poten in keurige rijen. 
Ook dit gebeurd over het algemeen in grote groepen vrouwen. Volgens de oude Balinese gebruiken, mag de vrouw bij deze arbeid niet ongesteld zijn.
Het water blijft op het perceel staan totdat de rijst volle vrucht draagt en geoogst kan worden.
Overvloedig water wordt afgevoerd door een smalle breuk in de dijk te maken of er een bamboe afvoerpijp in te steken.

Het overtollige water zal dan afgevoerd worden naar percelen, daar waar het water weer nodig is om de rijst te laten groeien.
Doordat men twee tot drie oogsten per jaar van deze terrassen kan oogsten, hebben deze hellingen ook een steeds variërend aan zicht, van spiegelend water. lichtgroen van de jonge aanplant, donkergroen van de volwassen plant en goudgeel van de rijpe aren aan de planten. 
Zo kan een sawa terras er in enige maanden heel anders er uit zien.



DE OOGST.

Het oogsten van de rijst op de sawa gebeurt als deze rijp is en men het water heeft laten weglopen van het perceel. Het oosten is weer een gemeenschap gebeuren en meestal ook het werk van de vrouwen en de mannen tezamen.
Op deze percelen kan men geen dorsmachines gebruiken en wordt het oosten nog met de sikkel gedaan.
De geoogste rijsthalmen worden in kleine schoven samengebonden en naar een centrale plaats gebracht om ze uit te slaan.




De geoogste rijstkorrel wordt hierna  in zakken naar een droogplaats vervoerd, waarna men het kaf van de korrel verwijderd.

Een geoogste sawa ziet er uit als een stoppelveld. Vaak verbrand men op het terras de resten van de halmen om deze later als bemesting om te ploegen. Het omploegen gebeurd dan pas als de stoppels verrot zijn door het onder water zetten van het terras. Hierna begint de cyclus van voren af aan weer.


ONKRUID EN ONGEDIERTE BESTRIJDING.

Onkruid wordt als de rijstplanten nog klein zijn met de hand verwijderd en vaak in een hoek onder begraven om als compost te dienen.
Uiteraard is een natte sawa en geliefde bron van water ongedierte.
Veel boeren gebruiken zolang als er water op de sawa staat goudkarpers om dit ongedierte op te eten, waarna deze vissen zelf uiteindelijk in de pan zullen verdwijnen na een tijd in schoon helder water te hebben doorgebracht om de grondsmaak te verwijderen.
Een andere oplossing is het houden van eenden, welke met een hoeder van perceel naar perceel trekken, om het ongedierte en algen op te eten. Ook zij verdwijnen na gedane arbeid en vetgemest in de braadpan.


Het gebruik van chemische kunstmest en bestrijdingsmiddelen tracht men zoveel mogelijk te voorkomen daar ander het grondwater, wat hier nog in veel huishoudens wordt gebruikt, hiermee vervuild wordt.

TRADITIE.

In enkele dorpen in het binnenland wordt de rijst nog op traditionele wijze gedroogd.
De aren worden gebundeld tot een stevige bos, waarna ze op het erf met de stelenbundel naar beneden, gedroogd wordt.
Na het drogen worden de bundels in een droge ruimte opgehangen.




vrijdag 30 maart 2018

ONDERZEEBOOT (PRINCIPE).


    ONTWORPEN OM ONDERWATER

                       TE VAREN. 

ONDERZEEBOOT.

Een onderzeeboot is een vaartuig dat door zijn speciale bouwwijze de mogelijkheid bezit zich onder het wateroppervlak te begeven en daar vrij te manoeuvreren tot zijn maximale duikdiepte.

Dwarsdoorsnede onderzeeboot.
1. Periscoop.
2. Golfbreker.
3. Loopdek met doorvloeide ruimte.
4. Vent.
5. Hoofdballasttank.
6. Drukhuid.
7. Periscoopbun.
8. Tanks voor brandstof.
9. Invloei-opening.
10. Invloei-opening afgesloten kingstonklep.


Onder maximale duikdiepte wordt verstaan de diepte tot waartoe de onderzeeboot kan duiken zonder dat gevaar bestaat dat een gedeelte van het schip door de druk van het omringende water wordt beschadigd. Bij de vaststelling van de duikdiepte worden diverse veiligheidsfactoren in aanmerking genomen.
In zijn grondvorm bestaat de onderzeeboot uit een langgerekte cilinder van hoogwaardig staal, de drukhuid. Deze huid wordt gesteund door spanten welke zowel binnen als buiten op de huid gelegen kunnen zijn.
Binnen de drukhuid zijn de woonverblijven, voortstuwings- en aanvalsapparatuur ondergebracht.
Toegang wordt verkregen door een aantal waterdichte luiken. Veelal is de boot door een aantal waterdichte schotten in compartimenten verdeeld. Buiten de drukhuid is aan weerszijden een aantal drijftanks, de hoofdballasttanks, aangebracht. Deze tanks zijn aan de onderzijde voorzien van niet-afsluitbare invloei-openingen, aan de bovenzijde van een klep, welke van binnen de drukhuid is te bedienen: de vent, afgeleid van ventileren.
Door de vent te openen zal de lucht uit de hoofdballasttanks kunnen ontsnappen. Het water stroomt door de invloeigaten toe en de boot verliest zijn positief drijfvermogen.
Veela zijn ter vergroting van de actieradius een of meer hoofdballasttanks in gericht als reserve barndstoftanks. Bij deze tanks is de invloei-opening aan de onderzijde afgesloten door een zogeheten kingstonklep.


Binnen de drukhuid heeft men de mogelijkheid het gewicht van de boot te variëren met behulp van de hulpballasttanks die gedeeltelijk gevuld kunnen worden met zeewater. Door de hoeveelheid water in deze tanks te regelen, kan men het gewicht de onderzeeboot gelijk maken aan het gewicht van de verplaatste hoeveelheid water (wet van Archimedes). De onderzeeboot zweeft dan in het water. men noemt dit proces van afregelen het trimmen van de boot.
Het trimmen omvat voorts het in de langsrichting van het schip op de juiste plaats brengen van het gewichtszwaartepunt ten opzichte van het aangrijpingspunt van de opwaartse kracht (drukkingspunt).
Hiertoe zijn aan beide uiteinden van het bootlichaam binnen de drukvaste huid een tank aangebracht, respectievelijk voor- en achtertrimtank genaamd. Door nu water te verdelen over de voor- en achtertrimtank kan de boot in balans gebracht worden gehouden.
Een onderzeeboot zal bij het gaan naar een grotere diepte meer ingedrukt worden, waardoor de opwaartse kracht afneemt. Teneinde op die grotere diepte een goede trim te hebben wordt water uit de midden-hulpballasttank naar buiten gepompt.



 (De eerste onderzeeboot van de Amerikaanse marine, ontworpen door John P. Holland in 1896.)


De conventionele onderzeeboot wordt voortbewogen door elektromotoren. Deze ontvangen bij bovenwatervaart of bij snuiveren hun stroom van een dieselmotor-generator combinatie.
Onder water wordt de stroom geleverd door een groot aantal batterijen. De diesel-generator kan ook gebruikt worden om de batterijen weer op te laden.
Moderne nucleaire onderzeeboten hebben een stoomturbine voortstuwing, waarbij een reactor zorgt voor de stoomvorming.


(Snuiver, antenne en periscoop steken net boven het wateroppervlak uit.)


Onder water varende wordt de onderzeeboot op gewenste diepte gehouden met de voor- en achter duikroeren. De voorduikroeren bevinden zich aan de golfbreker, ook wel vin of sail (de stroomlijn rond de masten en periscopen in neergezette stand) of aan weerszijden van de boeg. In het laatste geval zijn ze opklapbaar of intrekbaar. De achterduikroeren zijn niet inklapbaar en bevinden zich vlak voor of achter de schroef of schroeven. Behalve deze duikroeren heeft de onderzeeboot als elk ander schip een verticaal roer, voor richtingverandering in het horizontale vlak. 
Om boven water te komen gebruikt de onderzeeboot hogedruklucht. Nadat de hoofdtanks hiermee gedeeltelijk leeggeblazen zijn  en de boot met enig positief drijfvermogen aan de oppervlakte ligt, wordt volledig leeg gemaakt met een lagedrukcompressor: de lensblazer of de 'blower'.
Als meest belangrijke bronnen van informatie heeft de onderzeeboot de periscoop en de geruisdetectieapparatuur (hydrofoon). Het meest belangrijke wapen is de torpedo, die gelanceerd wordt vanuit de lanceerinrichtingen of buizen voorin het schip.



      (Een gedeeltelijk opengewerkte afbeelding van een moderne door kernenergie aangedreven                                                   onderzeeboot uitgerust met torpedo's en raketten.)

Momenteel hebben alle grotere typen onderzeeboten  installaties om de lucht aan boord te zuiveren.
Tevens zijn alle moderne onderzeeboten voorzien van een inrichting om uit een gezonken onderzeeboot te ontsnappen..


INTERNATIONAAL RECHT.

Sedert de eerste Haagse Vredesconferentie van 1899 heeft men gepoogd, met name van Britse zijde, te komen tot een verbod van het gebruik van onderzeeboten in de zeeoorlog.
Een Brits voorstel dienaangaande op de conferentie in 1899 werd niet aanvaard, terwijl op de 2e Haagse Vredesconferentie van 1907 geen bijzonder aandacht werd gegeven aan het probleem onderzeeboot. Ook tijdens de Conferentie van Washington van 1922 werd geen overeenstemming bereikt over een voorstel van groot-Brittannië tot een algemeen verbod van onderzeeboten, met name door verzet van de zijde van Frankrijk. Wel kwam een vage regeling tot stand omtrent het gebruik van onderzeeboten. Deze regeling is echter niet in werking getreden.
In 1930 kwam wel een bindende regeling tot stand, in deel IV van het Vlootverdrag van Londen.


Dit deel IV is overgenomen in een afzonderlijk Proces-verbaal van 6-11-1936 betreffende het optreden van onderzeeboten ten aanzien van koopvaardijschepen. Hierin werd bepaald dat onderzeeboten zich dienen te houden aan de regels van volkenrecht die gelden voor bovenwaterschepen. Dit hield, volgens het Proces-verbaal, in dat onderzeeboten, behalve in geval van aanhoudende weigering te stoppen of van feitelijk verzet, niet gerechtigd waren koopvaardijschepen tot zinken te brengen zonder dat passagiers en bemanning gelegenheid kregen in de sloepen te gaan.



Het enkele feit, dat passagiers en bemanning gelegenheid kregen in de sloepen te gaan werd hierbij niet voldoende geacht. In principe mogen onderzeeboten het doorzoekingsrecht uitoefenen.
Bij het uitbreken van WO-II was dit Proces-verbaal door 48 staten ondertekend, waaronder Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, Nederland en België.

(De Shell-tanker ss Eulota na een torpedo aanval in het begin van WO-II.)

Het zwakke punt van bovengenoemde regeling was echter dat niets bepaald werd omtrent de bewapening van koopvaardijschepen.
Duitsland verdedigde dan ook de in WO-II de opvatting dat bewapende koopvaardijschepen in een bepaalde zone om Groot-Brittannië, zonder
waarschuwing tot zinken mochten worden gebracht met het argument dat het Proces-verbaal van 1936 niet gold voor bewapende koopvaardijschepen. De onbeperkte duikbootoorlog, die van Duitse zijde werd gevoerd, werd de Duitse admiraals Raeder en Dönitz door het Militaire Gerechtshof in Neurenberg niet als oorlogsmisdaad aangerekend, vooral ook door de bewapening en het gewapend escorte van de erdoor getroffen koopvaardijschepen.

De duikboot is voor de meeste mensen geen dagelijks gebruiksvoorwerp. Toch is de uitvinding wel degelijk van belang geweest voor het verloop van de wereldgeschiedenis. Als uitvinder van de duikboot wordt vaak de Nederlander Cornelis Drebbel genoemd, die vroeg in de 17e eeuw omstanders vol verbazing achterliet toen hij met zijn prototype onder het water van de Theems weg voer.






zaterdag 24 maart 2018

MARINIERS 'DE ZWARTE DUIVELS', VERLEDEN EN HEDEN. (4)

                

                   'QUA PATET ORBIS'

      'ZO WIJD DE WERELD STREKT'. (4)






ROTTERDAM EN 'ZWARTE DUIVELS'. 

Rotterdam en de mariniers hebben reeds sinds de zeventiende eeuw een band met elkaar, toen Rotterdam slechts een klein havenplaatsje was.
Als scheepssoldaten aan boord van de linieschepen en fregatten van de Admiraliteit van de Maze (Maas), die in Rotterdam zetelde, hadden zij al binnen de stadsmuren vertoefd.
Baron van Ghent, de eerste Korpscommandant, voerde het bevel over het linieschip 'Gelderland' waarmee hij onder De Ruyter in 1666 in zee stak. Zijn thuishaven was Rotterdam, omdat de 'Gelderland' een schip van de Admiraliteit van de Maze was.
Gedurende de 17e en 18e eeuw treffen we op deze wijze mariniers in de Maasstad aan.
In het voorjaar van 1817 werd Rotterdam officieel garnizoensstad van de mariniers. Kort na het herstel van de Nederlandse onafhankelijkheid in 1813 was de keuze als garnizoensstad voor de mariniers, heropgericht op aanraden van kolonel Cantzlaar, op Hoorn gevallen, als compensatie voor het vertrek van de oude marinewerf aldaar.
In 1815 al verhuisde men de bataljonsstaf naar Hellevoetsluis met het merendeel van de tropen. Ook Vlissingen en Nieuwendiep kregen hun wal detachement.


Sinds 1817 zijn de mariniers vrijwel niet meer weggeweest uit Rotterdam. Tot aan 1940 toe gold het als een mariniersbolwerk, waar altijd een zelfstandig opererende afdeling gehandhaafd bleef.
Met de opheffing van de marinewerf in Rotterdam in 1850 raakten de mariniers even buiten beeld, maar in 1869 na het sluiten van de marinewerf in Vlissingen kregen ze, op uitdrukkelijk verzoek van het toenmalige gemeentebestuur van Rotterdam, een nieuw vast onderkomen in de marinierskazerne aan het Oostplein. Het verzoek van het Gemeentebestuur  kwam naar aanleiding van het 'De Vletter Oproer' in de stad een jaar eerder. Rotterdam had namelijk op dat moment geen garnizoen.
Als er ongeregeldheden waren en de politie militaire bijstand nodig had, moesten militaire eenheden uit de omliggende gemeenten, zoals Den Haag, Gouda of Woerden gehaald worden. In 1927 volgde de Korpsleiding die met de instelling van de functie Chef van Korps mariniers in Rotterdam een vaste standplaats verwierf.

'DIE SCHWARZEN TEUVEL'.

(Rotterdam na het bombardement door de Duitse luchtmacht op 10 mei 1940)

In 1939 begon in feite de Tweede Wereld Oorlog. nazi Duitsland annexeerde Oostenrijk, viel Polen binnen en het Saargebied, andere landen zouden snel volgen. Dit leidde op 3 september 1939 tot een oorlogverklaring aan Duitsland door het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk.
Nederland verklaarde zich, net als in de Eerste Wereld Oorlog neutraal.
In mei 1940 vielen de Duitse troepen Nederland binnen en kwam er een einde aan de neutraliteit.
De strijd barstte los aan de grens, bij de Grebbeberg en rond de steden Den Haag, Dordrecht en Rotterdam. Strategisch van belang voor de Duitsers was het in handen krijgen van de Maasbruggen van Rotterdam.


In de vroege ochtend van 10 mei 1940 landden aan weerszijden van de Maasbruggen twaalf watervliegtuigen met ongeveer 120 Duitse soldaten die zich naar strategische punten bij de Maasbruggen begaven. Niet veel later kregen zij steun van Duitse parachutisten die het vliegveld Waalhaven wisten te veroveren. De chaos was groot door een onduidelijk bevelstructuur, maar al vrij snel kwamen de Nederlandse tegenactie.
De Duitsers in het noordelijke bruggenhoofd werden kort na hun aankomst teruggedrongen en ze leden aanzienlijke verliezen.
Dezelfde dag werden de Duitse stellingen onder vuur genomen door twee Nederlandse marineschepen, de TM51 en de Z5. De TM51 werd bij een Duitse luchtaanval buiten gevecht gesteld.
OM het verzet te breken bombardeerden Duitse vliegtuigen het centrum van Rotterdam. Het verzet hield stand en op 13 mei werd besloten een tegenaanval uit te voeren zodat de Duitse 9e Pantserdivisie niet de Maasbruggen over zouden steken. Hierbij kwamen de mariniers in actie en wisten ondanks verliezen de Duitse opmars tegen te houden.

Ook bij Dordrecht leden de Duitsers zware verliezen. De opmars naar Den Haag kwam volledig stil te liggen.
Hierdoor nam het Duitse opperbevel het besluit door een tactische bombardement de verdediging te breken.
Door Göring en Kesselring werd de Luftwaffe anders geïnstrueerd en voerde deze op 14 mei een oppervlakte bombardement uit, waardoor brand ontstond die door de sterke wind zich snel kon uitbreiden.
Het psychologische effect was enorm en dat droeg bij tot een snelle overgave van de stad om nog meer burgerslachtoffers te voorkomen. Een feit was zeker, de gevechtsacties van de mariniers in hun donkerblauwe uniformen, zwartgeverfde gezichten en standvastigheid, dwongen bij de Duitser respect af.

(De laatste mariniers geven zich over.)

Het is nooit zeker geworden, of de mariniers de bijnaam 'Die schwarzen teufel' (De Zwarte Duivels)  van de Duitsers hebben gekregen, of dat het gegroeid is uit de fantasie die uitgroeide tot mythische proporties.
Aan Nederlandse zijde vielen 185 doden tegen 123 doden aan de Duitse zijde. Hierbij zijn geen burgerslachtoffers meegerekend.

Nederland capituleerde op deze 14 mei 1940 en zou pas in 1944/45 door de Geallieerden bevrijd worden.

HEDEN.

Tijdens de strijd in de meidagen van 1940 groeide de sympathie van de Rotterdammers voor 'hun' mariniers wegens de heldhaftige wijze waarop de 'zwarte duivels' zich inzetten bij de gevechten om de Maasbruggen en de verdediging van de stad.
Vanaf dat moment hebben de stad Rotterdam en de mariniers iets met elkaar.

Ieder jaar op 10 december op de verjaardag van het Korps, opgericht in 1665, vindt bij het monument 'De Marinier' de dodenherdenking plaats. Hierbij worden alle gesneuvelden mariniers, waar ter wereld ook omgekomen, herdacht.
De commandant van het Korps legt een krans bij het monument, waarna een detachement actief dienende en oud-mariniers een defilé lopen door het centrum van de stad.
De Marinierskapel de Koninklijke Marine verzorgt de muziek.



                                                  'THE LAST POST'.



vrijdag 23 maart 2018

MARINIERS 'DE ZWARTE DUIVELS', VERLEDEN EN HEDEN. (3)


                'QUA PATET ORBIS'

     'ZO WIJD DE WERELD STREKT'. (3)






DE TWEEDE WERELDOORLOG.                                                      

In de organisatie was inmiddels enige verandering gekomen.
In 1933 besloot men in geval van mobilisatie één of meer bataljons marinetroepen samen te stellen uit overcompleet dienstplichtig personeel onder leiding van getraind marinekader.
Deze 'L-Marinetroepen' oefenden regelmatig en hebben tussen 10 en 17 mei 1940 zeer goed werk verricht, voornamelijk in Zeeland. 
Bij de verdediging van Rotterdam tegen de Duitse invallers speelden de mariniers een hoofdrol. De medio 1941 opgerichte Marine Bewakings Afdeling (MBA) Nederlands Oost-Indië, vertoonde grote overeenkomst met de Marinetroepen.
Twee compagnieën mariniers uit de Goebengkazerne en twee MBA compagnieën vormden samen het Marine bataljon dat bij Kertosono met de Japanse overvallers slaags raakte.

(Schilderij Slag op de Javazee.)

De detachementen mariniers aan boord van de kruisers Hr. Ms. Java en De  Ruyter gingen in de slag op de Javazee met hun schepen strijdend ten onder.

Tijdens de WO-II werd het Korps mariniers op een nieuwe leest geschoeid. Op 17 mei 1943 gaf de minister van Marine, in ballingschap in Londen, het groene licht voor een gevechtseenheid van ruim 5.000 man, bestaande uit een staf, drie infanteriebataljons, een afdeling artillerie, een tankafdeling, een afdeling zware ondersteuningswapens, een verbindingsafdeling en verschillende verzorgingseenheden. 

(Mariniers in opleiding in Camp Le Jeune in de VS.)

De organisatie en uitrusting was gestoeld op de ervaringen van het Amerikaanse Korps mariniers dat in de Stille Oceaan tegen de Japanners vocht en zeer tot de verbeelding van de Nederlandse mariniers sprak.
Deze nieuwe eenheid, de Mariniersbrigade, werd in de Verenigde Staten opgeleid en diende drie maanden na het beëindigen van de vijandelijkheden in Europa gereed te zijn om aan de strijd tegen Japan deel te nemen. Reeds in 1943 werden zoveel mogelijk mariniers die nog in het vrije westen waren naar de Amerikaanse mariniers opleidingen gestuurd. Deze 250 man moesten dan de recruten opleiden die na de bevrijding van Nederland als oorlogsvrijwilliger bij het Korps in dienst zouden komen.

Tegelijkertijd werden er nog ruim 100 mariniers uitgeleend aan de prinses Irenebrigade. Zij vormden de kern van één van de drie infanterie-gevechts-compagnieën en landden begin augustus 1944 in Normandië waarna zij deelnamen aan de strijd tegen de Duitsers tot op Nederlands grondgebied.





NA DE TWEEDE WERELD OORLOG IN DE OOST.

Na de Japanse overgave in augustus 1945 was de noodzaak voor een Nederlandse bijdrage aan de strijd tegen Japan met een mariniersbrigade weggevallen.
Een nieuwe taak diende zich aan in de vorm van herstel van het Nederlands gezag in Indië waar op 17 augustus 1945 Soekarno de republiek Indonesië had uitgeroepen.
Van de Amerikanen kon niet verwacht worden dat zij meehielpen de oude koloniale relatie van vóór de oorlog te herstellen. De steun aan de Brigade die in het Amerikaanse Camp Le Jeune oefende en uitgerust werd, hield dan ook op. De Brigade vertrok naar Nederlands-Indië, waar zij pas in maart 1946 na een verblijf op Malakka door de Britten werd toegelaten.



Na de oorlog hadden de Japanners Indië in een ontredderde situatie achtergelaten. Daar poogden Britse troepen de orde op zaken te stellen, waarbij zij hulp van de Nederlanders aanvankelijk mondjesmaat toestonden. Het liefst hadden ze Indië bij hun kolonies gevoegd, zoals ze met Ceylon hadden gedaan.
Een in december 1945 gedebarkeerd mariniers-infanteriebataljon en de Marine Bewakings Afdeling, die kort na de val van Japan in Batavia weer was opgericht, hebben in die chaotische maanden veel goed werk geleverd.
De mariniers stelden zich te weer tegen geregelde en ongeregelde troepen van de republiek Indonesië. Ondanks de onderhandelingen tussen Nederland en de nieuwe Republiek, die moesten leiden tot een Nederlandse-Indonesische Unie, overheerste aan de Nederlandse zijde het streven naar een herstel van de vooroorlogse verhoudingen. Dit leidde tot een groot aantal incidenten tussen de Nederlandse en Indonesische troepen.

(Een van de vele wervingsposters uit die periode.)


Het Korps mariniers bereikte in deze periode zijn grootste sterkte van ruim 13.000 man, waarvan 5.000 voor de Brigade. 
Deze aantallen werden bereikt door in eerste instantie oorlogsvrijwilligers (OVW-ers) aan te trekken uit bevrijd Nederland. Wat later werden zij aangevuld met mariniers-zeemilicien, dienstplichtigen die bij het Korps hun dienstplicht wilden vervullen.

In juli 1947 begon, in het kader van de Eerste Politionele Actie, één van de grootste landingsoperaties die ooit door de mariniers is uitgevoerd. De Brigade landde op twee punten op Oost-Java, bij Pasir Poetih en in de Meneng Baai, en stootte daarop snel door tot in het binnenland, gesteund door het eigen genie-bataljon. Hoewel militair gesproken de actie een succes was, moest op last ven de veiligheidsraad van de Verenigde Naties de strijd gestaakt worden. Omdat op politiek gebied geen overeenstemming werd bereikt, begon de Mariniersbrigade in afgeslankte vorm in december 1948 aan een Tweede Politionele Actie die militair bezien aan de opdracht beantwoordde, maar in politiek opzicht geen internationale steun kreeg.


De landingen werden deze keer uitgevoerd door twee bataljons bij Glondon. Onder druk van de VN en door toedoen van de VS moest de actie worden gestaakt.
De Nederlandse regering moest uiteindelijk instemmen met de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië, die op 27 december 1949 door Koningin Juliana met haar handtekening werd bekrachtigd.
Inmiddels was de bestaansgrond en de noodzaak voor de brigade weggevallen. De OVW-ers en de miliciens wier diensttijd verstreken was, moesten naar Nederland terug keren. Daardoor was het onmogelijk geworden de Brigade op volle sterkte te handhaven. Zij werd op 7 juli 1949 door vice-admiraal A.S.Pinke eervol opgeheven. het Korps werd daarna gereorganiseerd en toegerust voor nieuwe vredestaken. Op dat moment hadden 263 Mariniers hun leven gegeven in de strijd in Nederlands-Indië.


De mariniersbrigade is na opheffing vervangen door een Amphibisch Bataljon. Delen van dit bataljon reisden spoedig af naar Nederlands Nieuw-Guinea, waar zij vanaf de jaarwisseling van 1949-1950 beveiligingstaken op zich namen.
In de jaren vijftig, na de Nieuw-Guinea crisis liep de sterkte van het Korps terug van 4.000  naar 3,400 man. 
In de vergadering van de VN van 24 september 1963 stelde de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken een contingent mariniers, op verzoek van de VN en na goedkeuring van de Nederlandse regering, beschikbaar voor VN taken.


IN VREDESTIJD.


Het huidige Korps bestaat uit snel inzetbare amfibische gevechtsgroepen, die in alle klimeten zijn getraind, van het winterse Noorwegen in de bergachtige streken tot het tropisch junglewoud in Zuid-Amerika. Verder heeft de organisatie een Bijzonder Bijstandeenheid, welke is opgericht in 1973, na aanleiding van de gijzeling van deelnemers aan de Olympische Spelen in Munchen. Omdat Nederland lid is van de NAVO, moeten de mariniers in internationaal verband kunnen opereren.
Mariniers kom je tegen in alle rangen. Het Korps is dan ook in al zijn facetten een keurkorps te noemen, wat een groot aantal positieve aspecten heeft.


(Het vaandel van het Korps Mariniers.)

De samenbindende en vormende factoren voor het Korps kunnen we als volgt samenvatten:
* het Korps is homogeen; alle leden kunnen hetzelfde werk doen en hebben de zelfde basisopleiding doorlopen. Dat kweekt teamgeest.
* het Korps is veelzijdig; de leden rouleren langs diverse specialisaties en opleidingen. Dan ben je van alle markten thuis.
* het Korps is degelijk; toelatingseisen zijn hoog en de cursussen veeleisend; dat leidt tot vakmanschap.
* het Korps is solidair; je staat er nooit alleen en je kan altijd terugvallen  op de buddy. Dat geeft zekerheid. 
* het Korps is aantrekkelijk; je kan er een prima carrière opbouwen. Bijvoorbeeld als paracommando of kikvorsman.
* het Korps is internationaal, je komt overal in de wereld en je vaart mee op de vloot en op je eigen schip. Daar wordt je bereisd van.
* het Korps is tenslotte uitdagend, afwisselend, flexibel en slagvaardig. Daar leer je afzien.



Een marinier is en blijft een zeesoldaat. Draagt zijn eigen wapen en uitrusting, springt zo nodig in zee en rent door de branding naar het land, om een bruggehoofd te vormen en zich te handhaven, samen met zijn collega-zeesoldaten.


                                                                  (Zie vervolg deel 4.)